Luxembourg

Basketball Academy

In Welke Sport Wordt De Term Op De Stropdas Gebruikt?

In Welke Sport Wordt De Term Op De Stropdas Gebruikt
Voetbal [ bewerken | brontekst bewerken ] –

  • De 12e man achter je hebben staan : steun van het publiek krijgen.
  • Arsenalscore : 1-0, de kleinste overwinning. “Olympiakos boekt Arsenalscore tegen AZ”. Arsenal FC was in het verleden bekend als “boring, boring Arsenal” omdat het vaak met één doelpunt won.
  • Ausputzer (uit het Duits): laatste man van de verdediging die erom bekendstaat dat hij meestal de bal zo ver mogelijk wegtrapt.
  • Balafpakker : speler ( verdediger of middenvelder ) die de aanval van de tegenstander weet te ontregelen.
  • Het beleg duurt voort: een aanval wordt in eerste instantie gepareerd, maar de aanvallende partij houdt balbezit en druk op de verdedigende partij. Naar de wedstrijd tussen PSV en Vitesse tijdens het seizoen 2006-2007.
  • Banaan : gekrulde voorzet vanaf de zijlijn van de goal weg. Handelsmerk van Frank Vercauteren.
  • Betonvoetbal : de tegenpartij het spel laten maken, zelf helemaal inzakken en dan proberen door middel van de counter te scoren ( catenaccio ).
  • Bewussie : een bewust gescoord doelpunt, wat niet direct blijkt uit de uitvoering ervan.
  • Bobo : aan Ruud Gullit toegeschreven benaming voor voetbalbestuurders en sponsors. Kan bondsbonzen betekenen; is ook Sranantongo voor sukkel of slome.
  • Binneuh! : uitroep van Frank Raes bij een doelpunt
  • Brilstand : Een 0-0 (lijkt op een bril) eindstand.
  • Catenaccio (letterlijk: grendel): manier van spelen die populair is in Italië. Sterk verdedigende manier van voetballen waarbij doelpunten uit een counter voort moeten komen.
  • Chocoladebeen : het minst getrainde been van een speler.
  • Counter : vanuit een verdedigende positie heel snel naar voren spelen terwijl het andere team weinig verdedigers heeft.
  • Cruijff-Olsenpenalty : een strafschop die door twee spelers samen wordt genomen; door Johan Cruijff en Jesper Olsen op 5 december 1982 toegepast tijdens Ajax – Helmond Sport. Eerder in de jaren vijftig al toegepast door de Belgische speler Rik Coppens , in 2016 ook door Lionel Messi en Luis Suárez.
  • Een cruijffiaanse uitspraak : vernoemd naar Johan Cruijff , een verwarrende of triviale uitspraak over voetbal doen.
  • Daumscore : 1-0, de kleinste overwinning. Genoemd naar de Duitser Christoph Daum , die als trainer van Club Brugge aanvankelijk vaak met een dergelijke score won.
  • De bal in het mandje leggen : een doelpunt maken.
  • De bal is rond (boektitel van D. Ariese ): een uitdrukking om aan te geven dat een wedstrijd niet altijd door de sterkste wordt gewonnen. Met variant la pelota esta redonda (Spaans voor de bal is rond ; Johan Cruijff ).
  • De dekselse Grieken : benaming die Evert ten Napel gaf aan het Griekse kampioenselftal van het EK 2004.
  • De bus parkeren : zeer defensief spelen.
  • Die vrije trap was een poging tot mishandeling. Na de wedstrijd PSV – SC Heerenveen in seizoen 2005 – 2006 , schoot Alex een vrije trap in de goal van Heerenveen. Trainer Gertjan Verbeek van Heerenveen riep in de persconferentie, dat die vrije trap een poging tot mishandeling was, vanwege de snelheid (boven de 90 km/u) die de bal had.
  • Draak van een wedstrijd : wedstrijd waarin totaal niets gebeurt, met andere woorden we hadden beter thuis kunnen blijven.
  • Druistig : onbezonnen, overmoedig spelend.
  • Eenrichtingsverkeer : wordt gezegd als één partij vrijwel constant in de aanval is en de andere partij niets anders kan dan verdedigen.
  • Elleboog (o. Hugo Borst ): het met de elleboog attaqueren van de tegenstander.
  • Engeltje op de lat : wil zeggen dat een keeper geluk heeft dat veel schoten naast het doel verdwijnen.
  • Fopduik : een ander woord voor schwalbe (verzonnen door Evert ten Napel ).
  • Gallery play : een manier van spelen waarbij het accent op de schoonheid van het spel ligt, wat vaak wordt bereikt door een individuele actie.
  • Geflatteerde uitslag : een uitslag die de krachtsverhouding niet weerspiegelt, bijvoorbeeld een onverdiend (grote) nederlaag voor een gelijke of zelfs betere ploeg.
  • Gekraakt schot : de bal niet vol kunnen raken waardoor de kracht ontbreekt.
  • Grandelletje : een blunder van de keeper. Naar Franck Grandel , de keeper van FC Utrecht in 2006.
  • Hattrick : drie goals van één speler in één wedstrijd. Van een loepzuivere hattrick spreekt men als de goals in één helft worden gemaakt als een aaneengesloten reeks.
  • Hondenlul : scheldwoord tegen scheidsrechters dat in zwang kwam nadat voetballer Piet Romeijn het op 7 december 1969 gebruikte tegen scheidsrechter Van Gemert. Zelf verklaarde Romeijn achteraf dat hij de scheidsrechter geen “hondenlul” maar “onbenul” had genoemd.
  • Hoog voor de pot : hoge bal die ingekopt moet worden.
  • Hol-Knots-Begoniavoetbal ( Bert Jacobs ): erbarmelijk slecht voetbal.
  • Inkomen met gestrekt been : een onbesuisde overtreding, gericht op het blesseren van de tegenstander. Ook overdrachtelijk gebruikt buiten de voetbalwereld.
  • Jan van Staa-effect : naar Jan van Staa , opvolger van Rini Coolen. Trainer van FC Twente in 2006. Het Jan van Staa-effect wil zeggen, dat je een goede start maakt met je team, nadat je het roer hebt overgenomen van een trainer die is ontslagen of opgestapt.
  • Kans en mogelijkheid : een kans is een situatie waarin een speler rechtstreeks op doel kan schieten; de voorafgaande situatie wordt wel aangeduid als halve kans of mogelijkheid.
  • Kansen creëren : het scheppen van kansrijke situaties door creatief spel.
  • Kapotfluiten : doordat een scheidsrechter heel streng fluit, wordt het tempo lager en daarmee het spel vaak saai.
  • Kein keloel : geen gelul , uitgesproken met de Oostenrijkse tongval van Ernst Happel , m. zo weinig mogelijk praten en streven naar resultaatvoetbal.
  • Kluitjesvoetbal (ook: pupillenvoetbal of F-jesvoetbal ): veel voetballers in een kluwen rond de bal.
  • Klutsgoal (ook frommelgoal of Uit de kluts ): doelpunt uit een chaotische situatie ( scrimmage ) voor het doel.
  • Komt dat schot! : typerende uitspraak van voormalig sportcommentator Hugo Walker.
  • Kijken hoe het gras groeit : een wedstrijd die zo saai is, dat het groeien van het gras nog boeiender is.
  • Krulbal : een schot richting doel óf een pass, met een mooie speciale boog, net iets anders dan een effectbal. Bedacht door een sportverslaggever van Enschede FM tijdens een wedstrijd van FC Twente.
  • Lange halen, snel thuis : speltype waarbij ballen ver naar voren worden geschoten en dan ook weer snel terug is in de verdediging.
  • Het Legioen : grote trouwe supportersschare, bijnaam voor de Feyenoordsupporters.
  • Linkerrijtje : De bovenste helft van de ranglijst, die op tv vaak in twee kolommen wordt weergegeven.
  • Luchtmacht : opstelling van kopsterke aanvallers bij een hoekschop of vrije trap.
  • Een Machlasje : In de wedstrijd Ajax – Feyenoord in het seizoen 2001/2002 zorgde Ajacied Nikos Machlas door een schwalbe ervoor dat Ajax een punt overhield (gelijkspeelde) aan de wedstrijd.
  • Met z’n elven voor de pot hangen : manier van spelen waarbij het hele elftal verdedigt, komt vaak voor als een ploeg op voorsprong staat en deze koste wat kost wil verdedigen. Engels: Parking the [team] bus in front of the goal. Gebruikt door Mourinho.
  • Een mickeymousecompetitie : een voetbalcompetitie die zeer zwak is en geen internationale rol van betekenis speelt.
  • Mispeer : een bal die in een onbedoelde richting van de voet springt.
  • Een mooi stel : karakterisering van het Nederlands elftal door Theo Reitsma na het behalen van het Europees kampioenschap in 1988.
  • Een muur(tje) optrekken : met een aantal verdedigers dicht tegen elkaar aan gaan staan om bij een vrije trap in de buurt van de goal de aanvaller te hinderen.
  • Naar binnen trekken : als speler meer naar het midden lopen.
  • Oorlog in de zestien : verwarring stichten in het vijandelijk strafschopgebied.
  • Op de man spelen : normaal wordt uiteraard de bal gespeeld. Moet een klassieker zijn (van ten minste voor het vrouwenvoetbal) want de uitdrukking heeft zijn weg naar andere taalgebieden ruim gevonden.
  • Panenka : een penalty die als een stiftje op het midden van het doel gericht wordt (en dus niet zo hard mogelijk in een hoek geschoten wordt); deze penalty werd uitgevoerd tijdens het EK in 1976 door de Tsjechoslowaakse voetballer Antonin Panenka.
  • Patatgeneratie ( Bobby Haarms ): verwende generatie jonge voetballers aan het eind van de jaren tachtig. Haarms doelde onder meer op Bryan Roy en Richard Witschge.
  • Pegel : andere naam voor een hard schot.
  • Peunen : de bal erg hard schieten.
  • Pinchhitter : een aanvaller die laat in de wedstrijd wordt ingebracht om een doelpunt te forceren.
  • Pingel : andere naam voor strafschop.
  • Pingelen : slalommen om verschillende tegenstanders of obstakels.
  • Pompen : de bal veelvuldig en hoog in het vijandelijke doelgebied schieten om een doelpunt te forceren. Meestal toegepast aan het einde van de wedstrijd als een van de partijen beslist nog een doelpunt nodig heeft.
  • Postbodevoetbal : van spelers die niet de bal over grote afstand naar een medespeler kunnen passen maar hem als het ware persoonlijk komen bezorgen. ´ Gebezigd door De Kromme.
  • Professionele fout : een kleine bewuste fout om de tegenaanval af te breken.
  • Promovendus : een club die in het voorafgaande jaar is gepromoveerd naar een hogere divisie.
  • Puntertje : meestal gebruikt bij schot op doel, met de punt van de schoen in plaats van met de wreef.
  • Rechterrijtje : De onderste helft van de ranglijst, die op tv vaak in twee kolommen wordt weergegeven.
  • Roberto Carlosje : een vrije trap, waarbij de bal wegdraait van de keeper. De bal komt eerst recht op de keeper af, maar op het laatst draait de bal weg. Vernoemd naar de Braziliaanse voetballer Roberto Carlos.
  • Rode streep : denkbeeldige, maar tegenwoordig ook wel ingetekende scheidslijn. Onder de rode streep staan de teams die (dreigen te) degraderen naar een lagere klasse.
  • Sambavoetbal : voetballen met verrassende schijnbewegingen (als in een dans) zoals dat in Brazilië gespeeld wordt.
  • Seedorfjes , Seedorfen of Op zijn Seedorfs : Bij de eerste twee worden meerdere spelers van een team bedoeld. Bij de laatste wordt het voor een enkele speler gezegd. Er wordt bedoeld, dat de speler een penalty op groteske wijze mist, of hoeveel spelers een penalty voor een team missen. Naar aanleiding van de gemiste penalty’s van Clarence Seedorf tegen Frankrijk in 1996, Turkije in 1997 en Juventus in 2003.
  • Scorebordjournalistiek ( Co Adriaanse ): een wedstrijdanalyse op basis van de uitslag, terwijl verlies niet hoeft te betekenen dat er slecht gespeeld is en winst ook niet per se met goed voetbal is bereikt.
  • Schuiver : een hard en laag schot op het doel; Engels: daisy cutter.
  • Speeltuinvoetbal : uitspraak van Henk ten Cate naar aanleiding van een verloren wedstrijd van AFC Ajax tegen SBV Vitesse in het seizoen Eredivisie 2006/07 (uitslag 4-2 na een 0-2-voorsprong van Ajax).
  • Stiftje : een schot op doel met de voet gestrekt omlaag, waarbij de bal, vaak met tegeneffect, over de keeper heen in het doel komt.
  • Schepstift : een schot op doel waarmee de bal met gestrekte voet over de keeper wordt gelobd.
  • Schwalbe : Duits woord (letterlijk: zwaluw ) voor een fopduik om onterecht een penalty te krijgen of de tegenstander een kaart te bezorgen.
  • Een bal op de stropdas (ook wel: op de manchet ): een zeer nauwkeurige pass, waarmee over vele meters een aanvaller wordt aangespeeld.
  • Stropen : moeizaam rollen van de bal. De term ontstond tijdens het WK voetbal 2006 , naar aanleiding van de discussie over de droge, niet-gesproeide, “stroperige” velden. De bal zou daar moeilijk over bewegen, en stroopte over het veld.
  • Theootje : de vrije trap van Theo Janssen
  • Totaalvoetbal : typisch Nederlandse stijl van voetballen begin jaren 70.
  • Twaalfde man : het supporterslegioen dat de ploeg vooruitstuwt.
  • Uit de rug weglopen : wanneer een aanvaller een voorzet krijgt en sneller bij de bal is dan een verdediger die juist dichter bij de bal stond toen de voorzet aankwam, waardoor vrij letterlijk de aanvaller uit of langs de rug van de verdediger rent en eerder bij de bal is. Deze situatie ontstaat vaak wanneer verdedigers alleen letten op de tegenstanders aan de bal; hierdoor zien ze niet dat een speler van de tegenpartij (achter hun rug) vrij loopt naar een gebied waar hij de bal kan voorgeven of schieten.
  • Een Vertonghen : de bal na een blessurebehandeling terugspelen op de doelman van de tegenpartij, maar dan, al dan niet expres, een doelpunt maken. Naar Jan Vertonghen , die dat namens Jong Ajax deed tegen SC Cambuur-Leeuwarden voor de KNVB beker in het seizoen 2005-06.
  • Voetbal is oorlog ( Rinus Michels ): een harde, agressieve speelstijl is noodzakelijk én aanvaardbaar als je wilt winnen, gele en eventueel ook rode kaarten inbegrepen.
  • Volgevreten vedetten : verwende topvoetballers (vgl. patatgeneratie ).
  • Vrouwen en kinderen eerst : paniekerig verdedigen in de laatste fase van een wedstrijd.
  • Weg is weg (ook wegroeien ): bal wegschieten bij het doel vandaan.
  • Zaadbal : slecht gespeelde bal die niet aankomt/waar niemand iets mee kan.
  • De zestien : het strafschopgebied (“Hij werd onderuitgehaald in de zestien”).
  • Ziekenhuisbal :
    • (1) bal die tussen twee spelers in belandt, zodat de twee inkomende spelers tot een onvermijdelijke crash komen.
    • (2) een veel te zwakke pass.
  • Zijn we er tóch ingetuind ( Herman Kuiphof in 1974, nadat Gerd Müller het winnende doelpunt had gemaakt in de door Nederland verloren WK-finale ), terwijl Nederland eerder op voorsprong stond.
See also:  Wanneer Is Het Hands Voetbal?

Hoe noem je een verloren wedstrijd?

In sporten en spelen wordt er gesproken van wedstrijdvervalsing (ook bekend als wedstrijdmanipulatie, matchfixing en gamefixing) als het resultaat van een wedstrijd volledig of gedeeltelijk bepaald wordt door een deelnemer of een andere betrokkene (bijvoorbeeld een scheidsrechter, trainer) die moedwillig verliest of.

Wat zijn de sporten?

Een sport kan omschreven worden als een fysieke krachtmeting (bijvoorbeeld zwemmen), fysiek spel (bijvoorbeeld voetbal) of denkspel (bijvoorbeeld schaken) dat op reglementaire wijze in competitieverband of recreatief gespeeld kan worden.

Wat betekent gezegde?

  1. Home
  2. Taalloket
  3. Gezegde: werkwoordelijk en naamwoordelijk gezegde

Het gezegde is het zinsdeel dat aangeeft welke handeling centraal staat in een zin. Het geeft aan wie of wat het onderwerp is of doet.

Het gezegde bestaat uit minstens één werkwoord , dat soms aangevuld wordt met een naamwoord of met andere werkwoorden. Er bestaan twee soorten gezegdes: het werkwoordelijk gezegde en het naamwoordelijk gezegde.

Van wie is de uitspraak de bal is rond?

Voetbal [ bewerken | brontekst bewerken ] –

  • De 12e man achter je hebben staan : steun van het publiek krijgen.
  • Arsenalscore : 1-0, de kleinste overwinning. “Olympiakos boekt Arsenalscore tegen AZ”. Arsenal FC was in het verleden bekend als “boring, boring Arsenal” omdat het vaak met één doelpunt won.
  • Ausputzer (uit het Duits): laatste man van de verdediging die erom bekendstaat dat hij meestal de bal zo ver mogelijk wegtrapt.
  • Balafpakker : speler ( verdediger of middenvelder ) die de aanval van de tegenstander weet te ontregelen.
  • Het beleg duurt voort: een aanval wordt in eerste instantie gepareerd, maar de aanvallende partij houdt balbezit en druk op de verdedigende partij. Naar de wedstrijd tussen PSV en Vitesse tijdens het seizoen 2006-2007.
  • Banaan : gekrulde voorzet vanaf de zijlijn van de goal weg. Handelsmerk van Frank Vercauteren.
  • Betonvoetbal : de tegenpartij het spel laten maken, zelf helemaal inzakken en dan proberen door middel van de counter te scoren ( catenaccio ).
  • Bewussie : een bewust gescoord doelpunt, wat niet direct blijkt uit de uitvoering ervan.
  • Bobo : aan Ruud Gullit toegeschreven benaming voor voetbalbestuurders en sponsors. Kan bondsbonzen betekenen; is ook Sranantongo voor sukkel of slome.
  • Binneuh! : uitroep van Frank Raes bij een doelpunt
  • Brilstand : Een 0-0 (lijkt op een bril) eindstand.
  • Catenaccio (letterlijk: grendel): manier van spelen die populair is in Italië. Sterk verdedigende manier van voetballen waarbij doelpunten uit een counter voort moeten komen.
  • Chocoladebeen : het minst getrainde been van een speler.
  • Counter : vanuit een verdedigende positie heel snel naar voren spelen terwijl het andere team weinig verdedigers heeft.
  • Cruijff-Olsenpenalty : een strafschop die door twee spelers samen wordt genomen; door Johan Cruijff en Jesper Olsen op 5 december 1982 toegepast tijdens Ajax – Helmond Sport. Eerder in de jaren vijftig al toegepast door de Belgische speler Rik Coppens , in 2016 ook door Lionel Messi en Luis Suárez.
  • Een cruijffiaanse uitspraak : vernoemd naar Johan Cruijff , een verwarrende of triviale uitspraak over voetbal doen.
  • Daumscore : 1-0, de kleinste overwinning. Genoemd naar de Duitser Christoph Daum , die als trainer van Club Brugge aanvankelijk vaak met een dergelijke score won.
  • De bal in het mandje leggen : een doelpunt maken.
  • De bal is rond (boektitel van D. Ariese ): een uitdrukking om aan te geven dat een wedstrijd niet altijd door de sterkste wordt gewonnen. Met variant la pelota esta redonda (Spaans voor de bal is rond ; Johan Cruijff ).
  • De dekselse Grieken : benaming die Evert ten Napel gaf aan het Griekse kampioenselftal van het EK 2004.
  • De bus parkeren : zeer defensief spelen.
  • Die vrije trap was een poging tot mishandeling. Na de wedstrijd PSV – SC Heerenveen in seizoen 2005 – 2006 , schoot Alex een vrije trap in de goal van Heerenveen. Trainer Gertjan Verbeek van Heerenveen riep in de persconferentie, dat die vrije trap een poging tot mishandeling was, vanwege de snelheid (boven de 90 km/u) die de bal had.
  • Draak van een wedstrijd : wedstrijd waarin totaal niets gebeurt, met andere woorden we hadden beter thuis kunnen blijven.
  • Druistig : onbezonnen, overmoedig spelend.
  • Eenrichtingsverkeer : wordt gezegd als één partij vrijwel constant in de aanval is en de andere partij niets anders kan dan verdedigen.
  • Elleboog (o. Hugo Borst ): het met de elleboog attaqueren van de tegenstander.
  • Engeltje op de lat : wil zeggen dat een keeper geluk heeft dat veel schoten naast het doel verdwijnen.
  • Fopduik : een ander woord voor schwalbe (verzonnen door Evert ten Napel ).
  • Gallery play : een manier van spelen waarbij het accent op de schoonheid van het spel ligt, wat vaak wordt bereikt door een individuele actie.
  • Geflatteerde uitslag : een uitslag die de krachtsverhouding niet weerspiegelt, bijvoorbeeld een onverdiend (grote) nederlaag voor een gelijke of zelfs betere ploeg.
  • Gekraakt schot : de bal niet vol kunnen raken waardoor de kracht ontbreekt.
  • Grandelletje : een blunder van de keeper. Naar Franck Grandel , de keeper van FC Utrecht in 2006.
  • Hattrick : drie goals van één speler in één wedstrijd. Van een loepzuivere hattrick spreekt men als de goals in één helft worden gemaakt als een aaneengesloten reeks.
  • Hondenlul : scheldwoord tegen scheidsrechters dat in zwang kwam nadat voetballer Piet Romeijn het op 7 december 1969 gebruikte tegen scheidsrechter Van Gemert. Zelf verklaarde Romeijn achteraf dat hij de scheidsrechter geen “hondenlul” maar “onbenul” had genoemd.
  • Hoog voor de pot : hoge bal die ingekopt moet worden.
  • Hol-Knots-Begoniavoetbal ( Bert Jacobs ): erbarmelijk slecht voetbal.
  • Inkomen met gestrekt been : een onbesuisde overtreding, gericht op het blesseren van de tegenstander. Ook overdrachtelijk gebruikt buiten de voetbalwereld.
  • Jan van Staa-effect : naar Jan van Staa , opvolger van Rini Coolen. Trainer van FC Twente in 2006. Het Jan van Staa-effect wil zeggen, dat je een goede start maakt met je team, nadat je het roer hebt overgenomen van een trainer die is ontslagen of opgestapt.
  • Kans en mogelijkheid : een kans is een situatie waarin een speler rechtstreeks op doel kan schieten; de voorafgaande situatie wordt wel aangeduid als halve kans of mogelijkheid.
  • Kansen creëren : het scheppen van kansrijke situaties door creatief spel.
  • Kapotfluiten : doordat een scheidsrechter heel streng fluit, wordt het tempo lager en daarmee het spel vaak saai.
  • Kein keloel : geen gelul , uitgesproken met de Oostenrijkse tongval van Ernst Happel , m. zo weinig mogelijk praten en streven naar resultaatvoetbal.
  • Kluitjesvoetbal (ook: pupillenvoetbal of F-jesvoetbal ): veel voetballers in een kluwen rond de bal.
  • Klutsgoal (ook frommelgoal of Uit de kluts ): doelpunt uit een chaotische situatie ( scrimmage ) voor het doel.
  • Komt dat schot! : typerende uitspraak van voormalig sportcommentator Hugo Walker.
  • Kijken hoe het gras groeit : een wedstrijd die zo saai is, dat het groeien van het gras nog boeiender is.
  • Krulbal : een schot richting doel óf een pass, met een mooie speciale boog, net iets anders dan een effectbal. Bedacht door een sportverslaggever van Enschede FM tijdens een wedstrijd van FC Twente.
  • Lange halen, snel thuis : speltype waarbij ballen ver naar voren worden geschoten en dan ook weer snel terug is in de verdediging.
  • Het Legioen : grote trouwe supportersschare, bijnaam voor de Feyenoordsupporters.
  • Linkerrijtje : De bovenste helft van de ranglijst, die op tv vaak in twee kolommen wordt weergegeven.
  • Luchtmacht : opstelling van kopsterke aanvallers bij een hoekschop of vrije trap.
  • Een Machlasje : In de wedstrijd Ajax – Feyenoord in het seizoen 2001/2002 zorgde Ajacied Nikos Machlas door een schwalbe ervoor dat Ajax een punt overhield (gelijkspeelde) aan de wedstrijd.
  • Met z’n elven voor de pot hangen : manier van spelen waarbij het hele elftal verdedigt, komt vaak voor als een ploeg op voorsprong staat en deze koste wat kost wil verdedigen. Engels: Parking the [team] bus in front of the goal. Gebruikt door Mourinho.
  • Een mickeymousecompetitie : een voetbalcompetitie die zeer zwak is en geen internationale rol van betekenis speelt.
  • Mispeer : een bal die in een onbedoelde richting van de voet springt.
  • Een mooi stel : karakterisering van het Nederlands elftal door Theo Reitsma na het behalen van het Europees kampioenschap in 1988.
  • Een muur(tje) optrekken : met een aantal verdedigers dicht tegen elkaar aan gaan staan om bij een vrije trap in de buurt van de goal de aanvaller te hinderen.
  • Naar binnen trekken : als speler meer naar het midden lopen.
  • Oorlog in de zestien : verwarring stichten in het vijandelijk strafschopgebied.
  • Op de man spelen : normaal wordt uiteraard de bal gespeeld. Moet een klassieker zijn (van ten minste voor het vrouwenvoetbal) want de uitdrukking heeft zijn weg naar andere taalgebieden ruim gevonden.
  • Panenka : een penalty die als een stiftje op het midden van het doel gericht wordt (en dus niet zo hard mogelijk in een hoek geschoten wordt); deze penalty werd uitgevoerd tijdens het EK in 1976 door de Tsjechoslowaakse voetballer Antonin Panenka.
  • Patatgeneratie ( Bobby Haarms ): verwende generatie jonge voetballers aan het eind van de jaren tachtig. Haarms doelde onder meer op Bryan Roy en Richard Witschge.
  • Pegel : andere naam voor een hard schot.
  • Peunen : de bal erg hard schieten.
  • Pinchhitter : een aanvaller die laat in de wedstrijd wordt ingebracht om een doelpunt te forceren.
  • Pingel : andere naam voor strafschop.
  • Pingelen : slalommen om verschillende tegenstanders of obstakels.
  • Pompen : de bal veelvuldig en hoog in het vijandelijke doelgebied schieten om een doelpunt te forceren. Meestal toegepast aan het einde van de wedstrijd als een van de partijen beslist nog een doelpunt nodig heeft.
  • Postbodevoetbal : van spelers die niet de bal over grote afstand naar een medespeler kunnen passen maar hem als het ware persoonlijk komen bezorgen. ´ Gebezigd door De Kromme.
  • Professionele fout : een kleine bewuste fout om de tegenaanval af te breken.
  • Promovendus : een club die in het voorafgaande jaar is gepromoveerd naar een hogere divisie.
  • Puntertje : meestal gebruikt bij schot op doel, met de punt van de schoen in plaats van met de wreef.
  • Rechterrijtje : De onderste helft van de ranglijst, die op tv vaak in twee kolommen wordt weergegeven.
  • Roberto Carlosje : een vrije trap, waarbij de bal wegdraait van de keeper. De bal komt eerst recht op de keeper af, maar op het laatst draait de bal weg. Vernoemd naar de Braziliaanse voetballer Roberto Carlos.
  • Rode streep : denkbeeldige, maar tegenwoordig ook wel ingetekende scheidslijn. Onder de rode streep staan de teams die (dreigen te) degraderen naar een lagere klasse.
  • Sambavoetbal : voetballen met verrassende schijnbewegingen (als in een dans) zoals dat in Brazilië gespeeld wordt.
  • Seedorfjes , Seedorfen of Op zijn Seedorfs : Bij de eerste twee worden meerdere spelers van een team bedoeld. Bij de laatste wordt het voor een enkele speler gezegd. Er wordt bedoeld, dat de speler een penalty op groteske wijze mist, of hoeveel spelers een penalty voor een team missen. Naar aanleiding van de gemiste penalty’s van Clarence Seedorf tegen Frankrijk in 1996, Turkije in 1997 en Juventus in 2003.
  • Scorebordjournalistiek ( Co Adriaanse ): een wedstrijdanalyse op basis van de uitslag, terwijl verlies niet hoeft te betekenen dat er slecht gespeeld is en winst ook niet per se met goed voetbal is bereikt.
  • Schuiver : een hard en laag schot op het doel; Engels: daisy cutter.
  • Speeltuinvoetbal : uitspraak van Henk ten Cate naar aanleiding van een verloren wedstrijd van AFC Ajax tegen SBV Vitesse in het seizoen Eredivisie 2006/07 (uitslag 4-2 na een 0-2-voorsprong van Ajax).
  • Stiftje : een schot op doel met de voet gestrekt omlaag, waarbij de bal, vaak met tegeneffect, over de keeper heen in het doel komt.
  • Schepstift : een schot op doel waarmee de bal met gestrekte voet over de keeper wordt gelobd.
  • Schwalbe : Duits woord (letterlijk: zwaluw ) voor een fopduik om onterecht een penalty te krijgen of de tegenstander een kaart te bezorgen.
  • Een bal op de stropdas (ook wel: op de manchet ): een zeer nauwkeurige pass, waarmee over vele meters een aanvaller wordt aangespeeld.
  • Stropen : moeizaam rollen van de bal. De term ontstond tijdens het WK voetbal 2006 , naar aanleiding van de discussie over de droge, niet-gesproeide, “stroperige” velden. De bal zou daar moeilijk over bewegen, en stroopte over het veld.
  • Theootje : de vrije trap van Theo Janssen
  • Totaalvoetbal : typisch Nederlandse stijl van voetballen begin jaren 70.
  • Twaalfde man : het supporterslegioen dat de ploeg vooruitstuwt.
  • Uit de rug weglopen : wanneer een aanvaller een voorzet krijgt en sneller bij de bal is dan een verdediger die juist dichter bij de bal stond toen de voorzet aankwam, waardoor vrij letterlijk de aanvaller uit of langs de rug van de verdediger rent en eerder bij de bal is. Deze situatie ontstaat vaak wanneer verdedigers alleen letten op de tegenstanders aan de bal; hierdoor zien ze niet dat een speler van de tegenpartij (achter hun rug) vrij loopt naar een gebied waar hij de bal kan voorgeven of schieten.
  • Een Vertonghen : de bal na een blessurebehandeling terugspelen op de doelman van de tegenpartij, maar dan, al dan niet expres, een doelpunt maken. Naar Jan Vertonghen , die dat namens Jong Ajax deed tegen SC Cambuur-Leeuwarden voor de KNVB beker in het seizoen 2005-06.
  • Voetbal is oorlog ( Rinus Michels ): een harde, agressieve speelstijl is noodzakelijk én aanvaardbaar als je wilt winnen, gele en eventueel ook rode kaarten inbegrepen.
  • Volgevreten vedetten : verwende topvoetballers (vgl. patatgeneratie ).
  • Vrouwen en kinderen eerst : paniekerig verdedigen in de laatste fase van een wedstrijd.
  • Weg is weg (ook wegroeien ): bal wegschieten bij het doel vandaan.
  • Zaadbal : slecht gespeelde bal die niet aankomt/waar niemand iets mee kan.
  • De zestien : het strafschopgebied (“Hij werd onderuitgehaald in de zestien”).
  • Ziekenhuisbal :
    • (1) bal die tussen twee spelers in belandt, zodat de twee inkomende spelers tot een onvermijdelijke crash komen.
    • (2) een veel te zwakke pass.
  • Zijn we er tóch ingetuind ( Herman Kuiphof in 1974, nadat Gerd Müller het winnende doelpunt had gemaakt in de door Nederland verloren WK-finale ), terwijl Nederland eerder op voorsprong stond.
See also:  Wat Is Dispensatie Volleybal?

Wat betekent de term sport?

De etymologische ontstaansgeschiedenis van het begrip sport is niet eenduidig. Volgens Leonard II (1980) is het begrip sport etymologisch afgeleid van het Latijnse woord desporto (“in vervoering raken” of “laten meeslepen”). Dit verwijst naar het fenomeen dat mensen in een activiteit opgaan of door een activiteit worden meegevoerd; denk aan flow of runners high.

Miermans (1955) stelt dat sport komt van de Latijnse term: “disportare”. Dit betekent zich verstrooien, zich verma­ken of zich ontspannen. Het hield tijdverdrijven van twijfelachtige aard in, alsmede scherts, spot, plezier, spel en lichaamsoefeningen.

Het Engelse werkwoord “disport” heeft de betekenis van het zichzelf afleiding geven. De oor­spronkelijke bijbedoeling van de mensen was om hun aandacht af te leiden van de hardheid en de druk van het dagelijkse leven door het deelnemen aan de vrolijkheid en grilligheid van speelse, ietwat fysieke activiteiten. In Welke Sport Wordt De Term Op De Stropdas Gebruikt (Foto: Jeroen Hoyng) In de historie waren er volgens Dunning (1971) voor sport in het oude Egypte en Griekenland geen geschreven regels. Wel waren er beschrijvingen van bewegingscultuur (lichaamsoefeningen en ademhalingstechnieken) in de heilige boeken van de hindoes in het oude India (De Veda’s, 2500-500 BC) en in de geschriften van Confucius staan zeden en gewoonten (o. boksen en medische gymnastiek) van het oude China (Kugel, 1972) .

Het woord “disport” heeft in het Engels nu nog de betekenis van spel en scherts, maar werd afgekort tot “sport”. Sport wordt gezien als lichaamsoefeningen die tot ontspanning en vermaak dienen. De renaissance in het vijftiende-eeuwse Italië heeft tot de wedergeboorte van lichamelijke opvoeding en sport geleid in Europa.

In diverse landen (o. Zweden – Ling, Denemarken – Nachtegall, Duitsland – Vieth / Gutsmuths / Jahn, Zwitserland- Pestalozzi) ontwikkelden zich sportactiviteiten maar die verschilden tussen landen en tussen regio’s. “De Engelse ontwikkeling week af van andere landen toen in de zeventiende en achttiende eeuw boksen, paardenrennen, hardlopen, cricket en roeien op nationaal niveau werden gestandaardiseerd en georganiseerd” (Van Bottenburg, 1994 ). In Welke Sport Wordt De Term Op De Stropdas Gebruikt (Foto: Jeroen Hoyng) De internationale standaardisering en verspreiding van de meeste sporten hing samen met migratie, kolonisatie, handel, leger, school, kerk en media. Door die internationale standaardisering was vanaf eind negentiende eeuw tot aan 1965 het bewegingsculturele landschap eenvoudig en overzichtelijk volgens Crum (1992) en waren er duidelijke grenslijnen tussen sport en niet-sport. Sinds de jaren zestig van de vorige eeuw wordt het begrip sport diffuser omdat meer activiteiten worden aangeduid als sport of als sportief bestempeld.

Dit om incidenten te voorkomen zoals toen William Webb Ellis tijdens een potje voetbal (in de plaats Rugby) besloot om de bal op te pakken in zijn hand en naar voren over de doellijn te lopen. De uitdrukking “er een sport van maken” (met ambitie doen, prestatie nastreven; Van Dale) doet vermoeden dat er geen limiet staat op wat de term sport omvat.

Dat is voor media en publiek geen probleem, maar wel voor onderzoekers en beleidsmakers. Waar eindigt sport en waar begint theater, werk, recreatie, circus, spel, kunst of medische oefeningen? Deze discussie speelt al lang want Miermans (1955) schrijft al: “in het spraakgebruik rekent men de meest uiteenlopende bezigheden tot de sport”.

Kunnen we überhaupt wel een definitie of benadering vinden die (a) een onderscheid maakt tussen verschillende sport-gerelateerde begrippen en (b) sport identificeert daar waar het zich voordoet? (Hoyng, 1995 ).

Is het wenselijk en mogelijk om een heldere scheidslijn te trekken tussen activiteiten als schaken, armworstelen, poker, speleologie, twirling, synchroon zwemmen, free running (parcours), dans, duivenmelken, acrobatiek, hondenrennen, theatersport, WrestleMania, ritmische gymnastiek, beugelen, hanengevechten, aerobics, talentenjacht, beweeggames of bommetje springen in een zwembad? Er zijn wetenschappers die zeggen dat er geen definitie mogelijk is omdat sport een containerbegrip is van een losjes gerelateerde verzameling van activiteiten.

Stokvis (1989) stelt dat “iedere definiëring van het begrip sport leidt tot uitsluiten van verschijnselen waarvoor goede argumenten zijn aan te voeren om ze wel als sport te beschouwen”. Anderen (o. Guttmann) zijn van mening dat de karakteristieken die de gehele familie van activiteiten gemeen hebben de definitie vormen.

Miermans (1955) stelde dat niet de bezigheid op zichzelf, maar de mate waarin en/of de wijze waarop deze geschiedt, bepaalt of al dan niet van sport kan worden gesproken (in water spelen/vrij zwemmen – wedstrijdzwemmen, stoepranden – handbal). Al geruime tijd wordt er onderzoek gedaan naar sport en maken onderzoekers gebruik van definities om het onderzoekveld te kunnen afbakenen.

In het vijfjaarlijkse TijdsBestedingsOnderzoek (TBO) van SCP (sinds 1975) en CBS (sinds 2011) wordt de definitie van sport overgelaten aan de respondent. Het Aanvullend Voorzieningengebruik Onderzoek (AVO) van SCP werd in 1979 voor het eerst uitgevoerd en kende een toonblad met 27 sporten.

Destijds werden bijvoorbeeld denksporten nadrukkelijk buiten beschouwing gelaten, terwijl die wel werden opgenomen in de ledentalstatistieken van NOC*NSF. In sport(deelname)onderzoek wordt de definitie van Van Bottenburg veelal gebruikt: “Sport is een menselijke activiteit die veelal plaatsvindt in een specifiek organisatorisch verband maar ook ongebonden kan worden verricht, doorgaans met gebruikmaking van een specifiek ruimtelijke voorziening en/of omgeving, op een manier die is gerelateerd aan voorschriften en gebruiken die in internationaal verband ten behoeve van prestaties met een competitie- of wedstrijdelement in de desbetreffende activiteit of verwante activiteiten tot ontwikkeling zijn gekomen” (Hoyng e.

  1. , 2003 );
  2. Breedveld (2003) geeft aan dat met begrippen als ‘veelal’ en ‘doorgaans’ deze definitie nog veel ruimte voor interpretatie laat;
  3. Hoyng e;
  4. (2003) stellen dat de weergegeven definitie vanzelfsprekend onbruikbaar is als toelichting op wat in het sportonderzoek onder sport moet worden verstaan;

Het is een middel om vanwege onderzoekstechnische redenen activiteiten in- en uit te sluiten. De operationalisering van deze definitie in de Richtlijn Sportdeelname Onderzoek (RSO) leidde tot: “activiteiten die u in de afgelopen 12 maanden heeft beoefend volgens de gebruiken en regels uit de sportwereld”.

  1. De antwoordmogelijkheden zijn beperkt tot een toonblad met 44 sporten en bij deze definitie wordt ervan uitgegaan dat een sporter een dergelijke activiteit met een zekere frequentie verricht (minstens 12 keer per jaar);

Met de overgang van AVO (laatste in 2007) naar Vrijetijdsomnibus (VTO) in 2012 zijn de vragenlijsten door SCP aangepast aan de wensen van de sport- en cultuursector (Van den Dool e. , 2014 ). Het toonblad van de RSO is gebruikt met een extra opsplitsing van vecht- en verdedigingssporten tot de afzonderlijke opties boksen, karate, kickboksen en taekwondo (toonblad = 47 sporten).

Deze ontwikkeling (AVO – RSO – VTO) schetst het probleem van sportonderzoek om telkens te moeten kiezen tussen het behouden van een “oude” definitie om een trendbreuk te voorkomen of over te gaan op een modernere definitie van sport.

Als mensen aangeven dat ze gaan sporten, dan worden vele activiteiten daartoe gerekend zoals baantjes zwemmen, joggen, fitnessen, etc. Maar als mensen gevraagd worden of ze zichzelf zien als sporter, dan blijkt dat beoefenaars van sporten die vaak in recreatief verband plaatsvinden (zwemmen, wandelen) zichzelf minder vaak beschouwen als sporter (Van der Werff & Elling, 2014 ).

  1. Teamsporters zien zichzelf relatief vaker als sporter alsmede mensen die in wedstrijd- of verenigingsverband deelnemen;
  2. Ook blijkt dat mannen (2012: 43%) zich eerder als sporter zien dan vrouwen (31%);
  3. Of mensen zichzelf zien als sporter hangt in grote mate samen met het aantal keren dat ze per jaar sporten;
See also:  Wat Is Var Bij Voetbal?

De richtlijn Sportdeelname Onderzoek gaat uit van minimaal twaalf keer per jaar sporten, maar de gemiddelde Nederlander legt de grens hoger tussen één á twee keer per week (Hoyng e. ,2003: 146 ). In de rapportage Sport 2010 is voor het eerst de ‘wekelijkse’ sporter onderscheiden, waarbij een ondergrens van veertig keer sporten per jaar wordt aangehouden.

Van der Werff & Elling (2014 ) stellen dat de definitie die alleen uitgaat van het aantal keren dat iemand sport te weinig aansluit bij het zelfbeeld van de sporters zelf en dus te beperkt is. Bepaalde groepen (bijv.

ouderen en vrouwen) zien zich niet als sporter terwijl ze wel sportactiviteiten doen. Wil je deze doelgroep bereiken, dan kun je beter spreken over sport én bewegen. Voor het bepalen van wat wel of geen sport is, blijft NOC*NSF primair aansluiting zoeken bij de internationale Sportdefinitie zoals gehanteerd door de Global Association of International Sports Federations (GAISF; voorheen SportAccord). Sport wordt hier verdeeld in de volgende categorieën:

  • hoofdzakelijk lichamelijk
  • hoofdzakelijk geestelijk
  • hoofdzakelijk gemotoriseerd
  • hoofdzakelijk coördinatie
  • hoofdzakelijk dier ondersteunend

Om te worden toegelaten tot de lijst met sporten moet een activiteit: (i) een vorm van competitie hebben, (ii) niet afhankelijk zijn van een geïntegreerde geluksfactor, (iii) niet worden bepaald door onnodige gezondheid- of veiligheidsrisico’s van deelnemers, (iv) mag geenszins schadelijk zijn voor een levend wezen, en (v) mag niet afhankelijk zijn van materiaal wat door één aanbieder wordt aangeboden. Deze toelatingseisen zijn niet heel hard want aanvragen van activiteiten die beperkt lichamelijke of atletische activiteit vergen worden zeer zorgvuldig overwogen. Denk aan denksporten en gemotoriseerde sporten waar het lichamelijke aspect minder dominant is.

Het doel van GAISF is niet om een algemene wetenschappelijke statische definitie van sport te hebben, maar een heldere en pragmatische beschrijving van activiteiten die als sport beschouwd kunnen worden.

Ook de relatie tussen sport en kunst is speciaal van belang bij jury-sporten. NOC*NSF heeft bepaald in de notitie ledendefinitie dat aan de erkenning van een internationale federatie door Nederlandse sportbonden geen rechten kunnen worden ontleend, noch dat bepaalde typisch Nederlandse sporten die niet GAISF erkend zijn per definitie niet voor een NOC*NSF-lidmaatschap in aanmerking kunnen komen.

Mandaat om te besluiten om sportbonden al dan niet als lidorganisatie toe te laten, blijft te allen tijde liggen bij de Algemene Vergadering van NOC*NSF. Als je als beleidsmaker je beperkt tot de bij NOC*NSF aangesloten bonden sluit je vele historische en moderne vormen van sport en bewegen uit (bijv.

volkssporten, free running). Hou bij het gebruiken van een bepaalde definitie rekening met welke activiteiten je in- en uitsluit. Een definitie met nadruk op fysieke activiteiten kan inhouden dat er misschien voorbeelden (freefight, nieuwjaarsduik, crashed ice down hill skating) zijn die je als beleidsmaker niet wil subsidiëren.

Geen definitie hanteren betekent dat allerlei organisaties een beroep kunnen doel op gemeentelijke sportsubsidies als duivenmelkers, vissers, klaverjas-verenigingen, cage- of freefight organisatoren, plattelandsverenigingen met een jaarlijkse sportdag, etc.

Sportbeleid wordt steeds vaker verbreed tot sport- en beweegbeleid waardoor de discussie niet meer over de definitie van de activiteit gaat, maar over welke bijdrage het kan leveren aan de samenleving t. gezondheid, welzijn, etc. Sport is een lastig te omschrijven begrip en daarbij al decennia lang onderhevig aan verandering. Bij sport als doel wordt vaak een enge definitie van sport toegepast met kenmerken als:

  1. lichamelijke activiteit,
  2. wedstrijdelement,
  3. het streven naar uitmuntendheid,
  4. reglementering en
  5. institutionalisering.

Sport is dan een lichamelijke activiteit waarbij het gaat om het vergelijken van vaardigheden (zoals coördinatie, balans, vlugheid, nauwkeurigheid, snelheid, kracht, uithoudingsvermogen, enz. De WHO hanteert de volgende definitie : “Sport is an activity involving physical exertion, skill and/or hand-eye coordination as the primary focus of the activity, with elements of competition where rules and patterns of behaviour governing the activity exist formally through organizations; and may be participated in either individually or as a team”.

  1. Maar is dat een probleem? Het lijkt alsof voor “sport als doel” en “sport als middel” twee verschillende definities gehanteerd worden;
  2. Sport wordt echter meer en meer ingezet als middel voor maatschappelijke doelen;

Een ruime definitie is dan vaker wenselijk omdat er diverse sport- en beweegactiviteiten zijn die voor het bereiken van beleidsdoelen kunnen worden ingezet. Fitness kan een prima bijdrage leveren aan gezondheidsdoelstellingen, fierljeppen aan (behoud van) de Friese cultuur en bridge aan Wmo-doelstellingen.

Is dansen ook een sport?

Danssport en de Olympische Spelen [ bewerken | brontekst bewerken ] – In 1997 heeft het Internationaal Olympisch Comité (IOC) de danssport officieel erkend als sport, waardoor de WDSF een door het IOC erkende sportfederatie werd. Ondanks druk van het WDSF is de danssport tot nu toe geen olympische medaillesport.

  • Wel is de danssport een sport op de Wereldspelen;
  • In 2005 was het daar een van de medaillesporten;
  • Ook is het een medaillesport op de Aziatische Indoorspelen;
  • De WDSF onderscheidt in danssport de secties Ballroomdans (ook wel standaarddans ), Latijns-Amerikaanse dans en Ten Dance;

Naast deze internationaal vertegenwoordigde “secties” worden ook (inter)nationale wedstrijden gehouden. Ook kunstrijden op de schaats of ijsdansen kan als danssport worden gezien.

Is bowlen een sport?

Bowlen: de sport voor de jeugd van 7 tot en met 107 jaar. Bowlen -ontstaan uit het aloude spel kegelen- is een sport waarbij de speler door middel van een bowlingbal moet proberen om alle tien de pins omver te gooien. Bowlen is een sport waarin je je geweldig kunt bekwamen. Loslaten op het juiste moment, het effect waarmee je gooit en de snelheid waarmee de bal over de baan rolt dragen bij aan ‘de perfecte worp’.

Hoe noem je alle werkwoorden in een zin?

Het gezegde (gez. )   bestaat altijd uit alle werkwoorden in de zin. De persoonsvorm is een werkwoord, dus die zit altijd in het gezegde. Het gezegde geeft aan dat iemand iets is, dat iemand iets doet of dat er iets gebeurt. Het gezegde kan werkwoordelijk of naamwoordelijk zijn. Hoe vind je het gezegde (gez)?

In Welke Sport Wordt De Term Op De Stropdas Gebruikt
  1. Zoek de persoonsvorm (pv).
  2. Zoek het onderwerp (o).
  3. Zoek het gezegde (gez): alle werkwoorden.

Hieronder worden de stappen uitgelegd.

1   Zoek de persoonsvorm (pv).

Maak de zin vragend of zet hem in een andere tijd. Persoonsvorm

In Welke Sport Wordt De Term Op De Stropdas Gebruikt   Zin    Vraagzin / Andere tijd    Persoonsvorm
Wij gaan in de beek vissen.   Gaan wij in de beek vissen?  gaan
Wij gaan in de beek vissen.  Wij gingen in de beek vissen.  gaan
2   Zoek het onderwerp (o).

Wie  of  Wat  + de persoonsvorm. Onderwerp  Wij gaan in de beek vissen. Wie / Wat + pv →  Wie gaan? Onderwerp → Wij

3   Zoek het gezegde (gez).

Het  gezegde  zijn alle werkwoorden in een zin. Gezegde Wij gaan in de beek vissen Alle werkwoorden → gaan vissen Gezegde → gaan vissen Gezegde (gez).

  • Zoek eerst de persoonsvorm en het onderwerp.
  • Het gezegde zijn alle werkwoorden in een zin.
  • De persoonsvorm is een werkwoord, dus deze zit altijd in het gezegde.

Wie van niets komt tot iets?

iet – Spreekwoorden: (1914) Als niet komt tot iet, is ‘t allemans verdriet, of als niet komt tot iet, kent iet zich zelven niet, d. als iemand van geringe afkomst vrij snel, niet altijd door eigen verdienste, vooruit komt in de wereld, wordt hij dikwijls verwaand (vgl. Spreuken, XXX, 22-23). Volgens Harreb. II, 52 is deze z. Gevonden op https://www. encyclo. nl/lokaal/10778.

Wat is het verschil tussen een NG en een WG?

In een zin staat een werkwoordelijk gezegde (wg) of een n aamwoordelijk gezegde (ng). Een naamwoordelijk gezegde bestaat niet alleen uit werkwoordsvormen. In het naamwoordelijk gezegde staat altijd een koppelwerkwoord. De koppelwerkwoorden zijn: zijn , worden , heten , blijven , schijnen , lijken , blijken , dunken en voorkomen. Het naamwoordelijk deel ‘koppelt’ het werkwoord aan het onderwerp. Voorbeelden

  • Mijn broer is ziek. ng = is ziek
  • Mijn vader is veertig. ng = is veertig
  • Mijn fiets is kapot. ng = is kapot

Een naamwoordelijk gezegde (ng) bestaat dus altijd uit een werkwoordelijk deel (wd) en een naamwoordelijk deel (nd). Voorbeelden

  • Mijn fiets is kapot. wd = is   nd = kapot   ng = is kapot (zijn is koppelwerkwoord)
  • Hij lijkt me eerlijk. wd = lijkt   nd = eerlijk   ng = lijkt eerlijk (lijken is koppelwerkwoord)
  • Uiteindelijk is hij leraar geworden. wd = is geworden   nd = leraar   ng = is leraar geworden (zijn is koppelwerkwoord)

Let op: Koppelwerkwoorden kunnen ook als gewoon werkwoord in het werkwoordelijk gezegde voorkomen. Voorbeelden

  • De jongen schijnt eerlijk. ng = schijnt eerlijk Het meisje schijnt met een zaklantaarn. wg = schijnt
  • Mijn vader is beroemd. ng = is beroemd Mijn vader is in Londen. wg = is
  • De mentor werd erg kwaad. ng = werd erg kwaad De jongen werd gepest. wg = werd gepest

Het arrangement Naamwoordelijk gezegde is gemaakt met Wikiwijs van Kennisnet. Wikiwijs is hét onderwijsplatform waar je leermiddelen zoekt, maakt en deelt. Auteur Laatst gewijzigd 2019-10-17 17:21:28 Licentie Dit lesmateriaal is gepubliceerd onder de Creative Commons Naamsvermelding-GelijkDelen 4. 0 Internationale licentie. Dit houdt in dat je onder de voorwaarde van naamsvermelding en publicatie onder dezelfde licentie vrij bent om:

  • het werk te delen – te kopiëren, te verspreiden en door te geven via elk medium of bestandsformaat
  • het werk te bewerken – te remixen, te veranderen en afgeleide werken te maken
  • voor alle doeleinden, inclusief commerciële doeleinden.

Meer informatie over de CC Naamsvermelding-GelijkDelen 4. 0 Internationale licentie.

Wat zeg je tegen iemand die een wedstrijd verloren heeft?

‘Veel mensen willen bij de ander het verdriet wegnemen. Maar troost heeft misschien wel veel meer met erkenning te maken dan met wegnemen. Dat je erkent dat het heel erg is wat er is gebeurd. ‘ Met opmerkingen als ‘Het komt wel goed’ of ‘Alles gebeurt met een reden’ of met leedmeten bagatelliseer je het leed.

Wat zeg je als iemand een wedstrijd heeft gewonnen?

1) de beste zijn in een wedstrijd of een spel

Voorbeeld: `De voetbalclub heeft de Europacup gewonnen. `
Antoniem: verliezen
je gewonnen geven (het opgeven, de wedstrijd staken)
iemand voor je winnen ( iemand zo overtuigen dat hij of zij jouw kant kiest)

.