Hypermobiel Kind Welke Sport?

Hypermobiel Kind Welke Sport
Wat is hypermobiliteit? Hypermobiliteit is een toestand waarbij meerdere gewrichten in het lichaam een grotere beweeglijkheid hebben dan gebruikelijk. Hoe wordt hypermobiliteit ook wel genoemd? Het woord hyper betekent te veel. Het woord mobiliteit betekent beweeglijkheid.

Hypermobiliteit betekent te veel beweeglijkheid. Hyperlaxiteit Hypermobiliteit wordt vaak ook hyperlaxiteit genoemd. De term laxiteit betekend soepelheid, de term hyperlaxiteit geeft aan dat de gewrichten minder stevig en dus soepeler zijn dan gebruikelijk.

Bij hyperlaxiteit komt dit, doordat het bindweefsel wat normaal zorgt voor stevigheid van het gewricht te soepel is, waardoor het gewricht meer beweeglijkheid heeft dan normaal. Hoewel de woorden dus vaak door elkaar heen gebruikt worden, is hyperlaxiteit eigenlijk een toestand die er voor kan zorgen dat hypermobiliteit ontstaat. Hypotonie Hypotonie is het medische woord voor een te lage spierspanning in de spieren. Ook hierdoor kan hypermobiliteit ontstaan. Net als hyperlaxiteit kan ook hypotonie de oorzaak zijn van het ontstaan van hypermobiliteit. Hypermobiliteitssyndroom Hypermobiliteit hoeft geen klachten te geven. Wanneer een kind last heeft van klachten als gevolg van de hypermobiliteit, wordt er gesproken van een hypermobiliteitssyndroom. Hoe vaak komt hypermobiliteit bij kinderen voor? Hypermobiliteit komt regelmatig voor bij kinderen. Eén op de 5 tot 12 kinderen in Nederland heeft in meer of minder mate hypermobiliteit. Dit hangt af van welke criteria voor hypermobiliteit worden gehanteerd. Bij wie komt hypermobiliteit voor? Hypermobiliteit is vaak al vanaf jonge leeftijd aanwezig. Vaak zijn er meerdere familieleden die hypermobiliteit hebben. Hypermobiliteit komt ook vaker voor bij kinderen die een bindweefselaandoening hebben zoals de ziekte van Ehlers-Danlos, de ziekte van Marfan , osteogenesis imperfecta type I en VI of zeldzame aandoeningen als cutis laxa of pseudoxanthoma elasticum.

  1. Dit wordt ook wel afgekort met de letters HMS;
  2. Soms wordt de Engelse term Benign Joint Hypermobility syndrome gebuikt;
  3. Daarnaast komt hypermobiliteit vaker voor bij kinderen met een syndroom, zoals het syndroom van Down of het fragiele-X syndroom , maar ook bij veel andere syndromen;

Hypermobiliteit kan zowel bij jongens als meisjes voorkomen. Van nature zijn de gewrichten van meisjes al meer beweeglijk dan de gewrichten van jongens. Daarom komt hypermobiliteit vaker bij meisjes dan bij jongens voor. Wat is de oorzaak van hypermobiliteit? Onvoldoende stabiliteit gewricht Hypermobiliteit ontstaat wanneer het gewricht meer bewegingsmogelijkheden heeft dan normaal. De stabiliteit van het gewricht wordt bepaald door drie factoren: 1) de vorm van het gewricht 2) de kwaliteit van het gewrichtskapsel en de gewrichtsbanden 3) de spierspanning in de spieren rondom het gewricht Bindweefsel Bij de meeste kinderen met hypermobiliteit is het bindweefsel meer elastisch dan bij kinderen zonder hypermobiliteit. In het bindweefsel zitten bepaalde eiwitten die zorgen voor stevigheid van het bindweefsel. Een belangrijk eiwit wat zorgt voor stevigheid heet collageen. Bij kinderen met hypermobiliteit is het collageen vaak minder sterk aangelegd dan gebruikelijk. Hierdoor is het bindweefsel minder sterk en rekt het gemakkelijker mee.

  1. Het gewricht is minder stabiel dan normaal;
  2. Het bindweefsel beperkt normaal de beweeglijkheid van het gewricht, om zo overstrekken van het gewricht te voorkomen;
  3. Wanneer het bindweefsel meer meerekt, kan het gewricht verder bewogen worden;

Een ander eiwit wat ook een belangrijke rol speelt bij de stevigheid en rekbaarheid van bindweefsel is het eiwit fibrilline. Bekende bindweefselziekten Een deel van de kinderen met hypermobiliteit heeft een bindweefselziekte. Vaak gaat het dan om de ziekte van Ehlers en Danlos of de ziekte van Marfan. Vaak hebben deze kinderen naast hypermobiliteit ook nog andere symptomen, waardoor herkend kan worden dat er sprake is van een van deze syndromen, maar dit hoeft niet altijd het geval te zijn. Fout in erfelijk materiaal Waarschijnlijk wordt hypermobiliteit veroorzaakt door een fout in het erfelijk materiaal. Veel van deze fouten zijn nog niet bekend. Spierziekte Bij een klein deel van de kinderen met hypermobiliteit is er sprake van een spierziekte. De spieren zijn minder sterk dan gebruikelijk. De spieren zorgen voor stabiliteit van het gewricht. Wanneer de spieren minder sterk zijn, is het gewricht minder stabiel en kan het gewricht meer bewegen dan gebruikelijk. Kinderen met een spierziekte hebben naast hypermobiliteit ook last van spierzwakte.

Een ander deel van de kinderen met hypermobiliteit heeft ook een afwijking aan het bindweefsel, zonder dat bekend is van welke afwijking in het bindweefsel er sprake is. Afwijkende botten Hypermobiliteit kan ook veroorzaakt worden door afwijkend aangelegde botten in het gewricht.

Dit is wel een zeldzaam voorkomende oorzaak van hypermobiliteit. Ziektes die dit kunnen geven heten bijvoorbeeld pseudoachondroplasie of spondyloepiphyseal dysplasia congenita. Wat zijn de symptomen van hypermobiliteit? Variatie Er bestaat een grote variatie tussen verschillende kinderen met hypermobiliteit. Toegenomen beweeglijkheid Kinderen met hypermobiliteit kunnen hun gewrichten verder bewegen dan gebruikelijk. Zo kunnen ze vaak hun knieën en ellebogen overstrekken. De duim kan naar de onderarm gebracht worden en de pink kan zo ver achterover gebogen worden dat er een hoek van 90 graden tussen de hand en de pink ontstaat. Vaak kunnen kinderen met hypermobiliteit met gestrekte benen de handen op de vloer zetten.

Een groot deel van de kinderen heeft ook helemaal geen last van de hypermobiliteit. Een klein deel van de kinderen heeft wel last van de hypermobiliteit. Kinderen met hypermobiliteit kunnen vaak allerlei trucjes uithalen met een handen en armen die andere kinderen niet kunnen.

Vaak kunnen kinderen hun gewrichtjes ook knakkende geluidjes laten maken, door ze uit de kom en dan weer in de kom te laten schieten. Dit is overigens niet goed voor de gewrichtjes. Verzwikken Omdat de gewrichtjes zo beweeglijk zijn, kunnen de gewrichtjes gemakkelijk overstrekt worden. Zo hebben kinderen met hypermobiliteit vaker last van een verzwikte enkel. Gewricht uit de kom Bij kinderen met hypermobiliteit kan een gewricht gemakkelijker uit de kom schieten dan gebruikelijk. Maar een klein deel van de kinderen met hypermobiliteit heeft hier last van.

Vaak gaat het om het heupgewricht, het schoudergewricht of het ellebooggewricht. Platvoeten In de voet zitten heel veel gewrichtjes die allemaal op hun plek gehouden moeten worden. Bij kinderen met hypermobiliteit gaat dit niet zo goed.

Daarom hebben kinderen met hypermobiliteit vaak last van platvoeten. De onderkant van de voet is plat en niet hol zoals gebruikelijk. Sneller vermoeid Kinderen met een ernstige vorm van hypermobiliteit moeten voortdurend hun spieren aanspannen om te voorkomen dat een gewricht overstrekt of verzwikt. Dit kost veel energie. Daarom kunnen kinderen met een ernstige vorm van hypermobiliteit sneller vermoeid zijn dan leeftijdsgenoten. Pijnklachten Waneer de gewrichtjes regelmatig overstrekt worden, kan dit pijnklachten veroorzaken. Dit komt vooral voor bij gewrichtjes die vaak gebruikt worden of zwaar belast worden. Zo komt pijn aan de knieën, de enkels, de heupen of aan de polsen vaker voor. Ook zijn kinderen gevoeliger voor het krijgen van rugklachten met name onder in de rug. Vaak worden deze pijnen gezien als groeipijnen, omdat ze in bepaalde periodes aanwezig zijn en later spontaan vaak weer verdwijnen.

Bewegen Een deel van de kinderen met hypermobiliteit is juist heel lenig als gevolg van de hypermobiliteit. Een ander deel van de kinderen beweegt juist houterig, omdat ze voortdurend hun spieren aanspannen om te voorkomen dat een gewricht overstrekt wordt.

Bij sommige kinderen knikken de knieën telkens even naar achteren tijdens het lopen, dit maakt het lopen moeilijk en vermoeiend. Ook kunnen kinderen met hypermobiliteit gemakkelijker vallen en struikelen. Trager ontwikkelen Kinderen met een ernstige vorm van hypermobiliteit zijn vaak trager in hun ontwikkeling dan kinderen zonder hypermobiliteit.

Dit komt omdat ze meer kracht in hun spieren moeten hebben dan andere kinderen om te gaan zitten, staan en lopen. Uiteindelijk gaan alle kinderen met hypermobiliteit wel staan en lopen. Qua taal- en sociaal emotionele ontwikkeling lopen kinderen met hypermobiliteit niet achter, juist vaak voor.

Slapheid Kinderen met hypermobiliteit voelen als baby vaak slapper aan wanneer zij werden opgetild. Ze moesten meer ondersteund worden dan andere kinderen. Bewegingsangst Een deel van de kinderen met een ernstige vorm van hypermobiliteit vindt het eng om te bewegen, omdat ze zich niet stabiel voelen tijdens het bewegen.

  • Ook andere angsten komen vaker voor bij kinderen met hypermobiliteit;
  • Overbeweeglijkheid Een deel van de kinderen met hypermobiliteit is juist erg beweeglijk;
  • Ze zijn voortdurend in beweging en kunnen niet gemakkelijk rustig zitten;

Bij een deel van de kinderen is er naast overbeweeglijkheid ook een probleem met het vasthouden van de aandacht. Sommige kinderen krijgen ook de diagnose AD(H)D. Hoofdpijn Kinderen met hypermobiliteit blijken vaker dan hun leeftijdsgenoten last te hebben van hoofdpijnklachten. Losse huid Een deel van de kinderen met hypermobiliteit heeft een losse huid. De huid kan gemakkelijk een aantal centimeters worden opgetild van de onderlaag. Blauwe plekken Een deel van de kinderen met hypermobiliteit krijgt gemakkelijker blauwe plekken. Dit komt omdat de eiwitten die zorgen voor de stevigheid van de gewrichten, ook zorgen voor stevigheid van de bloedvaten. Bloedvaatjes, met name haarvaatjes en kleine adertjes kunnen minder goed tegen een stootje en gaan gemakkelijker bloeden waardoor een blauwe plek ontstaat. Problemen met plassen Bij kinderen met hypermobiliteit komen vaker problemen met plassen voor. Kinderen met hypermobiliteit blijken gemakkelijker urine te verliezen overdag en ook komt bedplassen vaker voor bij hen. Omdat een deel van de kinderen de blaas niet goed leeg plast, komt vaker een blaasontsteking voor. Problemen met de ontlasting Kinderen met hypermobiliteit blijken ook gevoeliger te zijn voor het krijgen van verstopping van de darmen.

  • Vaak gaat het om spierspanningshoofdpijn;
  • Deze hangen samen met de voortdurende spierspanning die kinderen met hypermobiliteit in hun lichaam opbouwen om te compenseren voor de hypermobiliteit;
  • Ook komt migraine vaker voor bij kinderen met hypermobiliteit;

Hoe wordt de diagnose hypermobiliteit gesteld? Verhaal en onderzoek Aan de hand van het verhaal van een kind en de bevindingen bij onderzoek kan vastgesteld worden of er sprake is van hypermobiliteit. Criteria Er zijn criteria opgesteld waarin afgesproken is, wanneer er gesproken mag worden van hypermobiliteit.

  1. Meestal worden de criteria van Beighton of Bulbena gebruikt;
  2. De criteria volgens Bulbena zijn strenger dan de criteria volgens Beighton;
  3. De criteria van Brighton zijn ontwikkeld om aan te geven welke kinderen (en volwassenen) last hebben van het hypermobiliteitssyndroom, dat wil zeggen klachten hebben als gevolg van de hypermobiliteit;

Beighton criteria Volgens de Beighton criteria zijn 9 punten te verdienen. Er wordt gesproken van hyperlaxiteit wanneer een kind 7 of meer punten scoort. Een kind krijgt 1 punt wanneer het de handen plat op de grond kan zetten tijdens het voorover buigen met gestrekte benen.

  1. Er wordt een punt gegeven wanneer de duim tegen de onderarm gelegd kan worden;
  2. Een punt wanneer de pink zo ver achterover gebogen kan worden dat er een hoek van 90 graden of minder ontstaat tussen de hand en de pink;

Een punt wanneer de elleboog overstrekt kan worden (de onderarm staat verder naar achteren dan de bovenarm over een hoek van meer dan 10 graden) en een punt wanneer de knie overstrekt kan worden (het onderbeen staat verder naar achteren dan het bovenbeen over een hoek van meer dan 10 graden). Bulbena criteria Volgens de Bulbena criteria zijn 10 punten te verdienen. Er wordt gesproken van hypermobiliteit wanneer jongens meer dan 4 punten hebben en meisjes meer dan 5 punten. – Er wordt een punt gegeven wanneer de onderarm over meer dan 85 graden naar buiten gedraaid kan worden, als de bovenarm tegen het bovenlichaam wordt gehouden en de elleboog gebogen wordt gehouden.

  1. – Een punt wanneer de elleboog meer dan 10 graden overstrekt kan worden;
  2. Een punt wanneer de duim die tegen de handpalm wordt gedrukt bijna of helemaal tegen de onderarm gedrukt worden (de duim mag er maximaal 2 cm vanaf blijven);

– Een punt wanneer de pink een hoek van 90 graden kan maken ten opzichte van de handpalm wanneer deze handpalm plat op de tafel ligt. – Een punt wanneer de heup over meer dan 85 graden naar buiten bewogen kan worden, wanneer iemand plat op een behandelbank ligt.

See also:  Waarom 5 Keer Wisselen Voetbal?

– Een punt wanneer het onderbeen bij een liggend persoon met een gestrekt been meer dan 10 graden van de onderlaag afgetild kan worden (de knie overstrekt dus). – Een punt wanneer met de hak de bil aangeraakt kan worden door een ander wanneer iemand op de buik ligt.

– Een punt wanneer de knieschijf zover naar buiten (van het lichaam af) bewogen kan worden, dan de binnenste rand van de knieschijf voorbij de denkbeeldige lijn van het voorste punt van de bekkenkam (het zogenaamde SIAS punt) en het uitsteeksel aan de binnenkant van de enkel (de zogenaamde mediale malleolus) komt te liggen.

– Een punt wanneer de voet zover richting de voorzijde het onderbeen bewogen kan worden dat de hoek tussen de voet en het onderbeen minder dan 70 graden is. – Een punt wanneer de grote teen zover richting de bovenzijde van de voet gebogen kan worden dat de hoek tussen de grote teen en de bovenzijde van de voet 90 graden of minder is.

– Een punt wanneer er gemakkelijk blauwe plekken ontstaan zonder dat er duidelijk sprake is van een slag of stoot op de huid. Brighton criteria Wanneer kinderen (en volwassenen) voldoen aan de twee hoofdcriteria of aan een hoofdcriterium en twee nevencriteria of aan vier nevencriteria wordt gesproken van het hypermobiliteitssyndroom.

  1. – hoofdcriteria a) 4 of meer punten volgens de Beighton criteria b) gewrichtsklachten die langer dan 4 maanden aanhouden – nevencriteria a) 1,2 of 3 punten volgens de Beighton criteria b) gewrichtsklachten in een of meerdere gewrichten c) een of meerdere keren een gewricht uit de kom gehad d) meer dan 3 weke delen letsels e) lange en dunne armen en benen (een zogenaamd marfanoid uiterlijk) f) gemakkelijk oprekbare huid, striae en gemakkelijk ontstaan van littekens g) hangende oogleden h) op jonge leeftijd spataderen, verzakking of een liesbreuk, navelbreuk of wondbreuk Uitsluiten bekende bindweefselziektes In eerste instantie zal er altijd gekeken worden of er sprake is van een van de bekende bindweefselziektes zoals de ziekte van Ehlers en Danlos, de ziekte van Marfan of van de ziekte osteogenesis imperfecta;

Er zijn ook voor deze ziektes criteria opgesteld wanneer van deze diagnoses gesproken kan worden. Helaas bestaan er nog geen andere onderzoeken die deze diagnoses met zekerheid kunnen uitsluiten. Oogarts Bij de ziekte van Marfan worden vaak afwijkingen aan de ogen gevonden. Kindercardioloog Bij de ziekte van Ehlers en Danlos komen vaker afwijkingen aan de hartklep voor. Wanneer er dus twijfels bestaan of er sprake is van de ziekte van Ehlers en Danlos zal vaak aan de kindercardioloog gevraagd worden of er sprake is van een afwijkingen aan een van de hartkleppen (mitraalklep, aortaklep). Botonderzoek Bij Osteogenesis imperfecta worden de botten in verhoogde mate afgebroken en weer opgebouwd.

Wanneer er dus twijfels bestaan of er sprake is van de ziekte van Marfan , zal vaak aan de oogarts gevraagd worden of hij/zij afwijkingen in de ogen kan vinden die passen bij de ziekte van Marfan. Ook bij kinderen met osteogenesis imperfecta kunnen afwijkingen aan het hoornvlies worden gezien, het hoornvlies heeft dan een blauwige kleur.

De botten zijn bij deze kinderen minder sterk. Wanneer er twijfels bestaan of er sprake zou kunnen zijn van osteogenesis imperfecta zou een zogenaamde botdichtheidmeting of DEXA-scan kunnen worden gemaakt. Wanneer nog gedacht wordt aan een afwijkende aanleg van botten in de gewrichten, kunnen ook gewone foto’s van de botten worden gemaakt. Bloedonderzoek Wanneer gedacht wordt aan een spierziekte als oorzaak van de hypermobiliteit kan de waarde van het spierenzym Creatinekinase (CK) verhoogd zijn, maar dit hoeft niet het geval te zijn. Bij osteogenesis imperfecta kunnen afwijkingen gevonden worden aan stofjes die betrokken zijn bij de aanmaak en afbraak van bot, maar ook dit hoeft niet het geval te zijn. Spierecho Door middel van een ECHO-onderzoek kunnen de spieren op een gemakkelijke en niet belastende manier onderzocht worden, bij sommige kinderen met een spierziekte kunnen afwijkingen gezien worden op de spierecho, maar ook dit hoeft niet het geval te zijn. Huidbiopt Bij bepaalde types van het Ehlers en Danlos syndroom is het mogelijk om deze diagnose te stellen met behulp van een huidbiopt. Wanneer kinderen alleen hypermobiel zijn, lukt het meestal niet om de diagnose te stellen met behulp van een huidbiopt. Hoe worden kinderen met hypermobiliteit behandeld? Geen behandeling Een groot deel van de kinderen met hypermobiliteit heeft in het geheel geen klachten als gevolg van de hypermobiliteit, zij hebben geen behandeling nodig.

  • Bij osteogenesis imperfecta kunnen extra afwijkende schedelnaadjes op een schedelfoto worden gezien (zogenaamde wormian bones);
  • Het is wel belangrijk dat ze goed luisteren naar hun lichaam en het lichaam niet onnodig gaan belasten;

Geen genezing Er bestaat geen behandeling die er voor kan zorgen dat de hypermobiliteit verdwijnt. De behandeling is erop gericht om zo min mogelijk last te hebben van de hypermobiliteit. Daarnaast is het belangrijk om te accepteren dat een kind hypermobiliteit heeft en om te accepteren dat dit soms om aanpassingen van activiteiten vraagt.

Goed luisteren naar het lichaam Het is voor alle mensen, maar zeker voor mensen met hypermobiliteit belangrijk om goed naar hun lichaam te luisteren. Pijnklachten kunnen een signaal zijn dat de gewrichten overbelast zijn.

Dan is het belangrijk om te kijken hoe dit komt en om te kijken of dit voorkomen kan worden. Sterke spieren Kinderen met hypermobiliteit compenseren met hun spieren voor de toegenomen beweeglijkheid. Ze zijn extra sterk in hun spieren. Meestal gaat dit vrij automatisch.

Anders is het mogelijk om deze spieren extra te trainen. Sport Sport is heel goed voor kinderen met hypermobiliteit. Vooral zwemmen is een goede sport om lekker te bewegen en de spieren te trainen. Ook yoga of pilates zijn goede sporten om te beoefenen.

Bij sporten zoals volleybal, handbal en turnen bestaat er een grotere kans op blessures om dat vaak dezelfde beweging met kracht gemaakt moet worden. Deze sporten mogen wel beoefend, maar het is daarbij erg belangrijk om goed te luisteren naar signalen van het lichaam en deze ook niet te negeren. Fysiotherapie Een fysiotherapeut kan tips en oefeningen geven hoe de spieren getraind kunnen worden om zo te zorgen dat de gewrichten minder gemakkelijk overstrekken. Ook kan de fysiotherapeut adviezen geven voor een goede houding en een goede manier van bewegen zonder overbelasting van de gewrichten. Bij kinderen met een ontwikkelingsachterstand kan de fysiotherapeut adviezen geven hoe de ontwikkeling gestimuleerd kan worden.

Wanneer kinderen als gevolg van deze sporten last krijgen van pijnklachten, dan is het beter deze sporten op een lager pitje uit te voeren of te zoeken naar een andere sport. Stevige schoenen Kinderen met hypermobiliteit hebben vaak baat bij wat hogere schoenen die stevigheid geven aan de enkels.

Bij kinderen die last hebben van hun knieën kan een kleine verhoging bij de hak helpen te voorkomen dat de knieën zich overstrekken. Sommige kinderen hebben baat bij een steunzool. Ergotherapie Voor kinderen met een ernstige vorm van hypermobiliteit bestaan hulpmiddelen die er voor zorgen dat ze hun gewrichten niet overbelasten. Zo bestaan er bijvoorbeeld hulpmiddelen om schrijven gemakkelijker te maken, zoals bijvoorbeeld een penverdikking. Ook kan aangepast meubilair helpen voor een goede zit en werkhouding. Revalidatiearts Een revalidatiearts kan adviezen geven hoe zo goed mogelijk om te gaan met de hypermobiliteit in de thuissituatie, op school of tijdens sport. Ook kan de revalidatiearts beoordelen of fysiotherapie of ergotherapie meerwaarde kunnen hebben. Een revalidatiearts kan bekijken of een brace of een spalk meerwaarde heeft. Onjuist en onnodig gebruik van braces en spalken kan juist averechts werken. Pijnstillers Wanneer kinderen veel pijnklachten hebben, kan gedurende een korte tijd een pijnstiller gebruikt worden. Vaak is paracetamol voldoende, soms is een sterkere pijnstiller zoals een zogenaamde NSAID nodig, bijvoorbeeld diclofenac of ibuprofen. Het is belangrijk om deze pijnstillers gedurende een korte periode te gebruiken en er daarna ook weer mee te stoppen. Omgaan met vermoeidheid Het hebben van hypermobiliteit kost het lichaam bij alle dagelijkse activiteiten meer energie. Daardoor is de energie op een dag sneller op. Het goed verdelen van de energie over de dag helpt om vermoeidheid te voorkomen. Het kan helpen goed naar de taken die voor een dag ingepland staan te kijken en te beoordelen of deze taken noodzakelijk zijn of niet en of ze energie geven of niet.

Daarnaast blijft het belangrijk om te kijken waarom deze pijnklachten ontstaan en om te kijken of dit voorkomen kan worden. Aan de hand daarvan kan ingepland worden welke taken wel op het programma komen te staan en welke niet.

Het maken van een planning kan helpen. Het is belangrijk om te zorgen voor variatie in taken en om ook voldoende momenten van ontspanning in te plannen. Begeleiding Begeleiding van kinderen en hun ouders met een hypermobiliteitsyndroom is belangrijk. Via de patiëntenvereniging van hypermobiliteitssyndroom en Ehlers en Danlos syndroom kunnen kinderen en hun ouders in contact komen met andere kinderen met dezelfde of een vergelijkbare aandoening. Contact met andere ouders Ook is het mogelijk om een oproepje te plaatsen op het forum van deze site om op deze manier in contact te komen met andere kinderen en hun ouders. Een maatschappelijk werkende of een psycholoog kunnen begeleiding geven bij het verwerken van het hebben van een chronische ziekte en het geven van een plaats in het leven. Wat betekent het hebben van hypermobiliteit voor de toekomst? Normaal leven De meeste kinderen met hypermobiliteit kunnen een normaal leven leiden, een normale opleiding volgen en werk vinden.

  • Een deel van deel van de kinderen maakt hierbij gebruik van een hulpmiddel;
  • Het is daarbij belangrijk dat kinderen rekening houden met hun hypermobiliteit, bijvoorbeeld bij een beroepskeuze;
  • Een beroep waarbij regelmatig dezelfde handelingen al dan niet met kracht moet worden uitgevoerd, is meestal niet handig voor kinderen met hypermobiliteit;

Voorkomen van klachten Juist door op jonge leeftijd op een goede manier met het lichaam om te gaan, kunnen kinderen met hypermobiliteit voorkomen dat ze klachten gaan krijgen op latere leeftijd. Acceptatie Acceptatie van het hebben van hypermobiliteit is heel belangrijk.

Voor een deel van de kinderen betekent dat, dat ze er tijdens hun dagindeling en activiteiten rekening mee moeten houden. Wanneer kinderen en volwassenen dit doen, kunnen kinderen en volwassenen een heel normaal leven lijden.

Kinderen en volwassenen die zich juist gaan afzetten tegen de hypermobiliteit en toch van alles willen doen ondanks signalen van het lichaam, hebben vaak veel meer last van hun hypermobiliteit, dan kinderen en volwassenen die accepteren dat niet alles kan en dat er soms keuzes gemaakt moeten worden.

Verminderen van de hypermobiliteit Met het ouder worden, worden onze gewrichten minder soepel en meer stijf. Dit is een normaal proces wat ook bij kinderen en volwassenen met hypermobiliteit plaats vindt.

Hierdoor neemt de hypermobiliteit met het ouder worden af. Verzakking Vrouwen met hypermobiliteit kunnen gemakkelijker last krijgen van een verzakking van de bekkenbodem. Levensverwachting De hypermobiliteit op zich zelf heeft geen invloed op de levensverwachting.

Wanneer er sprake is van een onderliggende aandoening, dan kunnen andere problemen die horen bij deze onderliggende aandoening wel van invloed zijn op de levensverwachting. Zwangerschap Tijdens een zwangerschap neemt de beweeglijkheid van de gewrichten toe.

Volwassen vrouwen met hypermobiliteit kunnen tijdens de zwangerschap dus meer last hebben van hun hypermobiliteit tijdens de zwangerschap en in de eerste weken na de bevalling. Vrouwen met hypermobiliteit mogen op normale wijze bevallen. Er bestaat een iets grotere kans op een nabloeding na de bevalling.

See also:  Waar Kan Je Voetbal Online Kijken?

Hebben broertjes en zusjes een vergrote kans om ook hypermobiliteit te hebben? Hypermobiliteit komt vaak in families voor. Broertjes en zusjes hebben daarom een vergrote kans om ook hypermobiliteit te hebben.

Hoe groot deze kans is, is niet goed aan te geven. Ook kan de mate van hypermobiliteit in de familie sterk uiteenlopen. Het syndroom van Ehlers en Danlos erft op zogenaamd autosomaal dominante wijze over. Wanneer een ouder of een kind het syndroom van Ehlers en Danlos heeft, dan hebben broertjes en zusjes een kans van 50% om ook het syndroom van Ehlers en Danlos te krijgen.

Een klinisch geneticus kan hier meer informatie over geven. Wilt u dit document printen dan kunt u hier een pdf-versie downloaden. Wilt u ook uw verhaal kwijt, dat kan: verhalen kunnen gemaild worden via [email protected]

eu en zullen daarna zo spoedig mogelijk op de site worden geplaatst. Voor meer informatie zie hier. Heeft u foto’s die bepaalde kenmerken van deze aandoening duidelijk maken en die hier op de website mogen worden geplaatst, dan vernemen wij dit graag. Links www.

hmsplatforum. nl ( informatiesite en forum voor mensen met het hypermobiliteitssyndroom) Referenties 1. Epidemiology of general joint hypermobility and basis for the proposed criteria for benign joint hypermobility syndrome: review of the literature.

Remvig L, Jensen DV, Ward RC. J Rheumatol. 2007;34:804-9 2. The differential diagnosis of children with joint hypermobility: a review of the literature. Tofts LJ, Elliott EJ, Munns C, Pacey V, Sillence DO. Pediatr Rheumatol Online J. 2009;7:1. Does physical therapy improve outcome in infants with joint hypermobility and benign hypotonia? Mintz-Itkin R, Lerman-Sagie T, Zuk L, Itkin-Webman T, Davidovitch M.

J Child Neurol. 2009;24:714-9. Headaches in hypermobility syndromes: A pain in the neck? Malhotra A, Pace A, Ruiz Maya T, Colman R, Gelb BD, Mehta L, Kontorovich AR. Am J Med Genet A. 2020;182:2902-2908. Prevalence of generalized joint hypermobility in children with anxiety disorders.

Javadi Parvaneh V, Modaress S, Zahed G, Rahmani K, Shiari R. BMC Musculoskelet Disord. 2020;21:337 6. Understanding the psychosocial impact of joint hypermobility syndrome and Ehlers-Danlos syndrome hypermobility type: a qualitative interview study. Bennett SE, Walsh N, Moss T, Palmer S.

Welke sporten met hypermobiliteit?

Hypermobiliteit en sport – Hypermobiliteit kan, zoals eerder genoemd, in sommige sporten een voordeel geven. Naast sporten waarbij deze lenigheid duidelijk zichtbaar is (turnen, ballet), zijn er bijvoorbeeld ook voordelen voor zwemmers bij de vlinderslag en een werper bij honkbal. Er zijn echter ook nadelen geassocieerd met hypermobiliteit die sporten en sportprestaties in de weg kunnen staan:

  • Gewrichten kunnen door de grote bewegelijkheid instabiliteitsklachten geven. Dit kunnen pijnklachten zijn, of zelfs leiden tot (sub)luxatie van het gewricht (zoals een schouder uit de kom). Als hiervan sprake is, kunnen contactsporten (bijvoorbeeld rugby en football) ontraden worden. Andere vormen van sport, zoals krachttraining, wordt juist wel aangeraden.
  • Pezen en peesaanhechtingen (en hierdoor ook de spieren) zijn mogelijk sneller geïrriteerd bij hypermobiliteit. Hierdoor kunnen bij een lagere sportbelasting al vervelende blessures ontstaan. Toch is gerichte training juist wel gewenst, omdat met het sterker maken van spieren en pezen de belastbaarheid omhoog gaat.
  • Gewrichtspijnen komen vaker voor bij mensen met hypermobiliteit. De hierboven genoemde problemen dragen allen bij aan deze klacht. Hierdoor is het wel aan te raden om (gedoseerd) te blijven sporten.
  • Vermoeidheid is een veelgenoemde klacht bij mensen met hypermobiliteit. Het ervaren van pijn kost energie en kan vermoeidheidsklachten geven. Over andere mechanismen die bij zouden kunnen dragen aan deze vermoeidheid, is weinig bekend. Het advies is om, ondanks dit soort klachten, wel in beweging te blijven. Sport heeft een positief effect op vermoeidheidsklachten.
  • Je ziet vaker meer angststoornissen en depressieve verschijnselen bij mensen met hypermobiliteit. Dit lijkt niet verklaard te kunnen worden door de klachten en problemen die hypermobiliteit met zich mee kan brengen, maar lijkt een genetische grondslag te hebben. Sport en bewegen hebben een positief effect op dit type klachten.

Kun je over hypermobiliteit heen groeien?

Wat is hypermobiliteit of (hyperlaxiteit) Bij hypermobiliteit heeft een kind een meer dan gemiddelde bewegingsmogelijkheid in zijn gewrichten. Dit komt heel veel voor. In Nederland bij 15-25% van de kinderen, bij jongens meer dan bij meisjes. Omdat het zoveel voorkomt wordt ook wel gezegd dat hypermobiliteit een variatie is op de normale bewegingsmogelijkheid in gewrichten.

  • Er zijn ook kinderen die juist een mindere bewegingsmogelijkheid hebben;
  • Dit heet hypomobiliteit, maar dit komt veel minder voor;
  • Klachten/symptomen De meeste kinderen met hypermobiliteit hebben daar geen last van;

Ze hebben geen moeite met sporten en bewegen soepel. Sommige kinderen met hypermobiliteit bewegen houterig omdat ze constant hun spieren aanspannen om de gewrichten in de goede stand te houden. Soms zie je de knieën hierdoor steeds naar achteren knikken bij het lopen.

  1. Vaak hebben ze een iets vertraagde motorische ontwikkeling, waardoor ze opvallen ten opzichte van leeftijdsgenootjes;
  2. Kinderen met hypermobiliteit struikelen of vallen vaker;
  3. Dit alles kan frustratie opleveren en soms leiden tot faalangst;

Bij sporten kan het leiden tot overbelasting van gewrichten, bijvoorbeeld enkels (frequent door de enkels gaan) en knieën. Het is niet duidelijk waarom het ene kind wel last heeft, het andere niet. Oorzaak Bij hypermobiliteit zijn gewrichtsbanden en andere structuren om een gewricht elastischer dan normaal.

  • Hierdoor kunnen de gewrichten verder dan normaal bewegen en vaak overstrekken;
  • Hypermobiliteit is een (erfelijke) aanleg en geen aandoening;
  • Net zoals bijvoorbeeld aanleg voor blauwe ogen of bruine ogen;
  • Een deel van de kinderen met hypermobiliteit heeft een bindweefselziekte zoals Ehlers-Danlos of de ziekte van Marfan;

Deze kinderen hebben meestal nog andere symptomen dan alleen houterig bewegen of overbelasting van gewrichten. Bij het vermoeden van een bindweefselziekte wordt uw kind terugverwezen naar de huisarts die dan besluit of verder onderzoek nodig is. Testen Hypermobiliteit wordt vastgesteld door van enkele gewrichten de bewegingsmogelijkheid te testen.

Daarnaast wordt de motoriek uitgebreid bekeken. Behandeling Aan de hypermobiliteit zelf is niets te doen. Soms blijft het kind dit zijn hele leven houden, andere kinderen groeien er overheen. Aan de klachten, het houterig bewegen, de achterstand in motorische ontwikkeling, de pijn door overbelasting van bijvoorbeeld enkels en knieën, kunnen we wel wat doen.

Door het trainen van spierkracht, stabiliteit en conditie kunnen deze klachten snel minder worden. Daarnaast kunnen we adviezen geven over welke sporten geschikt kunnen zijn voor uw kind. Bron: http://www. orthopedie. nl/ hypermobiliteit/ http://www. kinderneurologie.

Wat kun je doen tegen hypermobiliteit?

Zelf kunt u niet veel doen tegen hypermobiliteit. Mocht u klachten ervaren, dan kunt u uw spieren gaan versterken, zodat deze de functie van de gewrichtsbanden deels gaan overnemen. Hierdoor wordt het gewricht stabieler. Dit kan bijvoorbeeld door te gaan fitnessen.

Hoe herken je hypermobiliteit kind?

Symptomen van hypermobiliteit –

  • Beweeglijke gewrichten. Dit is het belangrijkste symptoom, dat bij ieder hypermobiel kind voorkomt. Hypermobiele kinderen kunnen hun gewrichten ver overstrekken.
  • Platvoeten. Omdat in de voeten ook veel gewrichten zitten, is de kans op platvoeten groter bij een hypermobiel kind. De gewrichten buigen dan te ver door, waardoor de voetboog inzakt.
  • Sneller vermoeid. Door de extra beweeglijke gewrichten, kan je kleine zich minder stabiel voelen tijdens het bewegen. Hierdoor kan hij zijn spieren constant aanspannen. Hierdoor raken spieren snel overbelast, wat vermoeidheid tot gevolg heeft.
  • Pijn in de gewrichten. Het overstrekken van een gewricht kan pijnklachten geven, zowel in het gewricht als bij de omliggende spieren. Bij kinderen wordt dit vaak gezien als groeipijn , waardoor HMS vaak lang onopgemerkt blijft. Daarnaast gaan gewrichten vaker uit de kom, wat ook tot pijn kan leiden.
  • Je kleine beweegt houterig of is juist extreem lenig. Sommige kinderen gaan extra houterig bewegen uit angst voor instabiliteit. Er kan zelfs bewegingsangst optreden. Je kindje hoeft dus niet extra lenig of overbeweeglijk te zijn om hypermobiliteit te hebben.
  • Moeite met motorische ontwikkelingen. Hypermobiele kinderen gaan vaak later lopen en kunnen moeite hebben met fijne motorische vaardigheden als schrijven of eten met bestek. Ook vallen ze vaker. In de sociaal-emotionele ontwikkeling lopen deze kinderen juist vaak voor.

Is hypermobiliteit erfelijk?

Wat is hypermobiliteit? – Hypermobiliteit is een (erfelijke) aandoening van het bindweefsel. Doordat het bindweefsel anders is van samenstelling krijgen de gewrichtsbanden en het kapsel meer elastische eigenschappen. De banden zullen bij belasting niet strak opspannen maar juist wat meerekken. De gewrichten kunnen hierdoor verder dan normaal bewegen en vaak overstrekken.

Wat veroorzaakt hypermobiliteit?

De oorzaak van hypermobiliteit is een afwijking in het bindweefsel (collageen) van de gewrichtsbanden en pezen waardoor die niet genoeg stevigheid bieden. De spieren moeten deze functie gedeeltelijk overnemen en raken daardoor ook overbelast, met als gevolg pijn en vermoeidheid.

Is hypermobiliteit gevaarlijk?

Sneller blessures. Je loopt met hypermobiliteit wat meer kans op ‘verstuikte’ gewrichten tijdens het sporten dan mensen zonder hypermobiliteit. Ook je schouder schiet wat sneller ‘uit de kom’ of je knieschijf gaat wat sneller van zijn plaats. Je krijgt ook eerder klachten bij activiteiten die je vaak herhaalt.

Is hypermobiliteit een vorm van reuma?

Hypermobiliteitssyndroom of niet? – Je hebt een hypermobiliteitssyndroom (HMS) wanneer je last krijgt van je lichaam door te soepele banden (zoals spier- en gewrichtsbanden), die niet door andere bindweefselaandoeningen veroorzaakt worden. Het hypermobiliteitssyndroom is een erfelijke afwijking en één van de ruim honderd reumatische aandoeningen.

  • Hoewel je met hypermobiliteit wordt geboren, zijn de symptomen van het   hypermobiliteitssyndroom   bij de meeste mensen voor de leeftijd van 15 jaar aanwezig;
  • De meeste cliënten die wij zien, hebben vaak pas last van hypermobiliteit tijdens hun (jong)volwassenheid;

Niet iedereen hoeft opvallende klachten te ervaren bij hypermobiliteit. Wanneer iemand hypermobiel is en de spieren niet sterk/stabiel genoeg zijn om dit op te vangen waardoor het lichaam met regelmaat overmatig belast wordt, zal deze persoon eerder klachten ervaren dan iemand met hypermobiliteit die een goede balans heeft qua belasting/belastbaarheid.

Wat is het verschil tussen EDS en HMS?

Hypermobiliteit staat bij beide aandoeningen op de voorgrond. Vaak is de aan- of afwezigheid van huidproblematiek mede bepalend voor een diagnose. Wanneer iemand een overrekbare en/of fluweelzachte huid heeft, wordt vaak de diagnose EDS gesteld. Als er geen sprake is van huidproblematiek wordt de diagnose HMS gesteld.

Wat is Hypermobiel kind?

Wanneer sprake van hypermobiliteit bij kinderen? – Kinderen zijn over het algemeen vrij flexibel, maar als ze hun knieën of ellebogen ver kunnen overstrekken, met gestrekte benen hun handen plat op de grond kunnen leggen, hun duim tegen hun pols aan kunnen leggen of vingers meer dan negentig graden kunnen doorstrekken, dan is er mogelijk sprake van hypermobiliteit. .

Waar valt hypermobiliteit onder?

Het hypermobiliteitssyndroom (HMS) is een aangeboren, vaak erfelijke afwijking van het bindweefsel van de gewrichtsbanden en pezen. Door deze afwijking kunnen de banden en pezen hun steunende functie niet goed vervullen en dit maakt de gewrichten overbeweeglijk ( hypermobiel ) en instabiel.

Is hypermobiliteit een vorm van reuma?

Hypermobiliteitssyndroom of niet? – Je hebt een hypermobiliteitssyndroom (HMS) wanneer je last krijgt van je lichaam door te soepele banden (zoals spier- en gewrichtsbanden), die niet door andere bindweefselaandoeningen veroorzaakt worden. Het hypermobiliteitssyndroom is een erfelijke afwijking en één van de ruim honderd reumatische aandoeningen.

  • Hoewel je met hypermobiliteit wordt geboren, zijn de symptomen van het   hypermobiliteitssyndroom   bij de meeste mensen voor de leeftijd van 15 jaar aanwezig;
  • De meeste cliënten die wij zien, hebben vaak pas last van hypermobiliteit tijdens hun (jong)volwassenheid;

Niet iedereen hoeft opvallende klachten te ervaren bij hypermobiliteit. Wanneer iemand hypermobiel is en de spieren niet sterk/stabiel genoeg zijn om dit op te vangen waardoor het lichaam met regelmaat overmatig belast wordt, zal deze persoon eerder klachten ervaren dan iemand met hypermobiliteit die een goede balans heeft qua belasting/belastbaarheid.

See also:  Waarom Lange Sokken Volleybal?

Welke klachten kun je hebben bij hypermobiliteit?

Hypermobiliteit hoeft geen klachten te geven. Wel kan je pijn krijgen aan je spieren of gewrichten. Ook raken je spieren vaak sneller overbelast omdat ze harder moeten werken om je gewricht(en) stabiel te houden. Als je door hypermobiliteit spier- of gewrichtsklachten krijgt, heet het hypermobiliteitssyndroom (HMS).

Is hypermobiliteit een chronische ziekte?

Hypermobiliteitssyndroom
Een duim die verder doorbuigt dan gebruikelijk
Coderingen
ICD-10 M 35. 7
ICD-9 728. 5
OMIM 147900
DiseasesDB 31101
Portaal     Geneeskunde

Het hypermobiliteitssyndroom ( HMS ) is een aangeboren , vaak erfelijke afwijking van het bindweefsel van de gewrichtsbanden en pezen. Door deze afwijking kunnen de banden en pezen hun steunende functie niet goed vervullen en dit maakt de gewrichten overbeweeglijk (hypermobiel) en instabiel. Hierdoor kunnen er vrij makkelijk ontwrichtingen of bijna-ontwrichtingen optreden. Om het gebrek aan stabiliteit te compenseren nemen de spieren een gedeelte van de functie van de banden en pezen over.

  • Deze moeten daardoor harder werken, en zullen dus sneller overbelast zijn;
  • Doordat het hypermobiliteitssyndroom nog een vrij onbekende chronische aandoening is, zijn geen gegevens bekend over het aantal personen dat hier last van heeft;

Wel is bekend dat het HMS vaker bij vrouwen voorkomt dan bij mannen en bij Aziaten en Afrikanen meer voorkomt dan bij mensen van Europese afkomst. Ook over de erfelijkheid is nog weinig te vertellen. Wel is bekend dat de kans dat een kind van een HMS-patiënt de aandoening ook heeft groter is, in sommige families is dit zelfs tot 50% verhoogd.

HMS kan zowel bij kinderen als bij volwassenen ontstaan. Zij kunnen klachten hebben die variëren in duur. De symptomen van dit syndroom kunnen op elke leeftijd ontstaan, maar zijn bij de meeste mensen voor het 15e levensjaar aanwezig.

De aandoeningen verschillen per persoon en lopen zeer sterk uiteen. Het bevestigen dat iemand HMS heeft is lastig. Voor het stellen van die diagnose zou men afwijkingen moeten zien op bijvoorbeeld röntgenfoto’s en uitkomsten van laboratoriumonderzoek en dit is bij mensen met HMS niet te zien.

Welke delen van een gewricht zijn bij hypermobiliteit minder stevig?

Wat is Hypermobiliteit? Hypermobiliteit wordt ook wel hyperlaxiteit of overbeweeglijkheid genoemd. Bij hypermobiliteit is er sprake van overbeweeglijke gewrichten doordat het ondersteunende weefsel (kapsels en ligamenten) minder stevigheid biedt dan het behoort te doen.

Hypermobiliteit is een erfelijke aanleg; ongeveer 10% van de mensen is hypermobiel, vrouwen vaker dan mannen. Hypermobiele mensen kunnen vaak bijzondere trucs met ledenmaten, tenen of vingers die de meeste mensen in hun omgeving niet na kunnen doen.

Ook kunnen hypermobiele mensen meerdere gewrichten verder doorbuigen zoals bijvoorbeeld de ellebogen of de knieën. Hypermobiliteit hoeft niet in alle gewrichten voor te komen. Dat kan wel, maar het komt ook voor dat het bijvoorbeeld alleen de gewrichten van armen, benen of rug betreft.

Veel mensen die hypermobiel zijn hebben er geen klachten van. Je kunt er ook probleemloos oud mee worden. Hoe het komt dat de ene persoon met hypermobiliteit geen klachten krijgt en de andere persoon ernstig beperkingen ondervindt, is nog niet bekend binnen de medische wetenschap.

Wat is het Hypermobiliteitssyndroom? Het benigne joint hypermobility syndrome (BJHS) of hypermobiliteits syndroom (HMS) is een erfelijke aandoening van het bindweefsel. Bindweefsel bestaat uit verschillende typen collageen die zorgen voor de stijfheid of flexibiliteit van het bindweefsel.

Het woord benigne wordt gebruikt om aan te duiden dat de aandoening niet levensverkortend is, maar het kan wel een enorme invloed hebben op het functioneren en de kwaliteit van leven van de patiënt. Het HMS heeft wat betreft de klachten een grote overlap met andere erfelijke bindweefselaandoeningen zoals EDS (Ehlers Danlos Syndroom), Marfan en Osteogenesis Imperfecta.

Door meerdere experts op het gebied van erfelijke bindweefselaandoeningen worden HMS en EDS hypermobiliteit type (voormalig type III) gezien als één en hetzelfde syndroom. In tegenstelling tot enkele andere vormen van EDS is bij het HMS of EDS hypermobiliteit type nog niet bekend welk type collageen is aangedaan.

Mensen met het hypermobiliteitssyndroom kunnen een heel scala aan klachten hebben. De meest voorkomende zijn naast hypermobiliteit, pijn  (sub)luxaties en vermoeidheid. Ook is bekend dat mensen met HMS problemen hebben met de propriocepsis (spiergevoel, gewrichtsgevoel) rond de gewrichten.

Criteria hypermobiele EDS (hEDS) en HSD De diagnose hEDS wordt in tegenstelling tot bij de andere typen alleen gesteld op basis van onderstaande criteria. Bij andere typen wordt een vermoedelijke diagnose bepaald op basis van familieanamnese, een bepaald aantal hoofdcriteria en eventuele nevencriteria.

Voor de definitieve diagnose moet er echter in de meeste gevallen een oorzakelijke DNA-afwijking aanwezig zijn. In de nieuwe criteria voor hEDS is er geen verschil meer in hoofd en neven criteria. Er zijn 3 criteria, die alle drie aanwezig moeten zijn.

Wanneer er alleen sprake is van gegeneraliseerde hypermobiliteit en klachten van het bewegingsapparaat zonder aan de hEDS criteria de voldoen, is er sprake van een Hypermobiliteits Spectrum Aandoening, HSD. Criterium 1 Gegeneraliseerde gewrichtshypermobiliteit. Beighton score van: ◦ ≥ 6 pre-puberale kinderen en adolescenten ◦ ≥ 5 voor mannen en vrouwen na de pubertijd ◦ ≥ 4 voor mannen en vrouwen boven de 50 Beighton score: maximaal 9 punten Hypermobiel Kind Welke Sport 1. Wanneer de onderarm en hand plat op tafel liggen en de elleboog 90 graden gebogen, kan de pink meer dan 90 graden passief (met hulp) omhoog worden gebogen ten opzichte van de hand. 1 punt per kant. Met gestrekte arm naar voren kan de duim passief (met hulp) tegen de onderarm worden bewogen.

1 punt per kant. Met de arm gestrekt opzij en de hand met handpalm naar boven omlaag gebogen kan de elleboog meer dan 10 graden overstrekken. 1 punt per kant. Staand kan de knie meer dan 10 graden overstrekken.

1 punt per kant. Staand met rechte knieën en benen tegen elkaar 1 punt wanneer met vlakke handen de vloer kan worden aangeraakt. Als de Beighton score 1 punt lager is dan het aantal punten nodig bij geslacht en leeftijd maar de “5 punten vragenlijst” is wel positief, is er ook sprake van gegeneraliseerde gewrichtshypermobiliteit.

  1. 5 punten vragenlijst: 1 Kunt u (of kon u ooit) uw handen plat op de grond plaatsen zonder je knieën te buigen? 2 Kunt u (of kon u ooit) uw hand tegen uw onderarm buigen? 3 Amuseerde u als kind uw vrienden met abnormale bewegingen of kon u de split? 4 Heeft u als kind of tiener meerdere keren uw knieschijf of schouder geluxeerd? 5 Ziet u zichzelf als erg lenig/hypermobiel? Bij 2 of meer punten is de vragenlijst positief;

Criterium 2 Twee van de volgende kenmerken A,B en C moeten aanwezig zijn Kenmerk A Systemische kenmerken (kenmerken die aangeven dat meer organen dan het bewegingsapparaat betrokken zijn) passend bij een gegeneraliseerde bindweefselaandoening 5 van de 12 kenmerken moeten aanwezig zijn: 1.

  1. Opvallend zachte of fluweelachtige huid;
  2. Milde hyperelastische huid (Huid aan de onderzijde van de onderarm is minstens 1,5 cm op te rekken) 3;
  3. Onverklaarbare striae zoals striae op de rug, lies, dijbenen, borsten en of buik bij adolescenten, mannen of prepuberale vrouwen die in het verleden nooit veel van gewicht veranderd zijn;

Aan twee voeten piezogene papels aan de hiel. Kleine bultjes die zichtbaar zijn zodra de voet belast wordt. Ze ontstaan doordat vetweefsel uitstulpt door de opperhuid. Terugkerende of meerdere buikwandbreuken (bijvoorbeeld liesbreuk of navelbreuk). Atrofische littekens (dunne en diepliggende littekens/ milde sigarettenpapier littekens) op ten minste 2 plekken zonder dat ze echt perkamentachtig en/of geelbruin verkleurd zijn zoals gezien wordt bij klassieke EDS.

Bekkenbodem-, rectum- of baarmoederverzakking bij kinderen, mannen of vrouwen die niet langer dan 20 weken zwanger zijn geweest, zonder dat ze ooit morbide obesitas hebben gehad of een andere onderliggende medische oorzaak.

Dental crowding (ruimtegebrek waardoor tanden scheef staan) in combinatie met een hoog en/of smal gehemelte 9. Arachnodactyly (de vingers zijn heel lang en dun ten opzichte van de handpalm) Hier is sprake van indien: 1. Het duimteken/Teken van Steinberg positief is aan beide kanten.

(als de duim in de handpalm wordt gelegd en de handpalm gesloten steekt de duimtop uit). Het polsteken/Teken van Walker-Murdoch positief is aan beide kanten. (wanneer) de eerste en vijfde vinger om de andere pols worden gelegd overlappen ze elkaar.

10. De verhouding tussen de armlengte en lichaamslengte is groter dan of gelijk aan 1. 05 11. Mitralisklepinsufficiëntie vastgesteld met een echo. Meestal is deze mild bij hEDS patiënten en hoeft deze niet behandeld worden. 12. Dilatatie oftewel een verwijding van de aortawortel met een Z-score >+2 Kenmerk B Positieve familie historie.

  1. Een of meer eerstegraads (ouder, kind, broer of zus) familieleden voldoen aan de criteria voor hEDS;
  2. Kenmerk C Muscoskeletale complicaties oftewel complicaties van het bewegingsapparaat;
  3. Minstens 1 moet aanwezig zijn: 1;

Dagelijks terugkerende muscoskeletale pijn in twee of meer ledematen die minstens 3 maanden duurt. Chronische wijdverspreide pijn die minstens 3 maanden aanwezig is. Terugkerende gewrichtsluxaties of duidelijk aanwezig instabiliteit van de gewrichten zonder trauma, er moet sprake zijn van a of b: a) Drie of meer luxaties zonder trauma in hetzelfde gewricht of 2 of meer atraumatische luxaties in verschillende gewrichten op verschillende momenten.

b) Medisch bevestigde gewrichtsinstabiliteit op 2 of meer plekken die geen verband houdt met een trauma. Criterium 3 Aan al deze voorwaarden MOET voldaan zijn: 1. Afwezigheid van ongewone kwetsbaarheid van de huid.

In dat geval moeten andere typen van EDS overwogen worden. Andere aangeboren of ontstane bindweefselaandoeningen moeten uitgesloten zijn, alsook auto-immuun reumatische aandoeningen. Bij patiënten die een verkregen bindweefselaandoening hebben (bijvoorbeeld Lupus of reumatoïde artritis) moet een patiënt voor een bijkomende diagnose met hEDS voldoen aan kenmerk A en B bij criteria 2.

Kenmerk C telt in dit geval niet mee voor de diagnose. Het uitsluiten van andere diagnoses die gewrichtshypermobiliteit kunnen veroorzaken door hypotonie (verminderde spierspanning) en/of bindweefselzwakte zoals neuromusculaire aandoeningen, andere erfelijke bindweefselaandoeningen (bijvoorbeeld Marfan, andere types EDS en Loeys-Dietz syndrome) en skeletdysplasie (botgroeistoornis zoals osteogenesis imperfecta).

Overig Er zijn veel andere kenmerken bij hEDS beschreven maar het verband met hEDS is van de meeste kenmerken op dit moment niet voldoende bewezen om in de officiële criteria te worden opgenomen. Naar het verband moet meer onderzoek worden gedaan in de toekomst.

  1. Op dit moment moet er wel aandacht en eventueel behandeling zijn voor deze symptomen aangezien ze vaak invloed hebben op de kwaliteit van leven;
  2. Deze symptomen zijn onder andere: * slaapstoornissen * vermoeidheid * POTS, de hartfrequentie stijgt buitensporig als iemand staat, hij stijgt meer dan 40 slagen per minuut of is boven de 120 (Dit is een vorm van dysautonomie) * maag- en darmproblemen * dysautonomie, ontregeling van het autonome zenuwstelsel dat onder andere bloeddruk, hartslag en lichaamstemperatuur regelt * angst * depressie De Behandeling: Het hypermobiliteits syndroom is geen gemakkelijke aandoening om te behandelen;

Meestal zal de behandeling voornamelijk bestaan uit fysiotherapie. Hierbij moet de fysiotherapeutische behandeling wel rekening houden met de kwetsbaarheid van het weefsel, om te voorkomen dat de behandeling een averechts effect heeft. Met operaties dient men vanwege de zwakte van het weefsel terughoudend te zijn.

Er is nog veel onderzoek nodig op het gebied van effectieve behandelingen. De effectiviteit van propriocepsis training bij knieklachten is aangetoond (Ferrell et al, 2004). Omdat mensen met HMS niet alleen afname van de propriocepsis hebben rond de knie, maar ook in andere gewrichten in het lichaam zal proriocepsis-training altijd onderdeel moeten zijn van de therapie.

Ook de aanpak van de chronische pijn door cognitieve gedragstraining is effectief gebleken. Ten slotte is het heel belangrijk dat HMS-patiënten zich bewust worden van hun persoonlijke grenzen en voldoende rust nemen. Doordat de spieren zoveel moeten opvangen hebben HMS-patiënten vaak weinig energie, waardoor de kwetsbaarheid toeneemt.